Misunderstandings about Research in HBO Education: A Clarification, Essays (university) of Science education

Three common misunderstandings about research in HBO (Hoger Beroepsonderwijs or Higher Professional Education) institutions, as presented by Dr. D.G Andriessen, a lecturer in Methodology of Practical Research at Utrecht University of Applied Sciences. The document addresses the misconceptions that research in HBO should only be scientific, that students and lecturers both conduct the same type of research, and that research scripts are the only way to assess the final qualifications of students. The text also mentions the impact of reports like 'Beoordelen is mensenwerk' and 'Vreemde ogen dwingen' on these misunderstandings.

Typology: Essays (university)

2020/2021

Uploaded on 05/10/2021

Thijs_Thijs
Thijs_Thijs đŸ‡łđŸ‡±

3.1

(11)

79 documents

1 / 6

Toggle sidebar

This page cannot be seen from the preview

Don't miss anything!

bg1
Verschenen in Hoger Onderwijs Management, najaar 2016
Drie misverstanden over onderzoek in het hbo
Dr. D.G (Daan) Andriessen is lector Methodologie van praktijkgericht onderzoek aan de Hogeschool
Utrecht. Hij was voorzitter van de Expertgroep Protocol die in het rapport Beoordelen is
mensenwerk uit 2014 een visie presenteerde op afstuderen in het hbo en de rol van onderzoek
daarin.
Inleiding
In zijn column “De rampzalige neiging tot na-apen” in Hoger Onderwijs Management van mei 2016
betoogt In ’t Veld dat hogescholen moeten stoppen met het na-apen van universiteiten op het
gebied van onderzoek. Hij noemt dit ‘academic drift’. Er is vaker kritiek te horen op het onderzoek in
het hbo zoals door emeritus-hoogleraar Verschuren in zijn opiniestuk van 31 juli 2015 in De
Volkskrant waarin hij stelt dat studenten in het hbo bij lange na niet genoeg getrained worden in
onderzoek. Recent nog stelde Peter Kwikkers in Science Guide 18 augustus: “Niet zelden is hbo-
onderzoek gewoon opiniepeiling, feitencollectie of gesubsidieerde consultancy.”
Een groot deel van die kritiek is naar mijn mening gebaseerd op een drietal hardnekkige
misverstanden over onderzoek in het hbo. Zo wordt niet goed onderscheid gemaakt tussen het
praktijkgerichte onderzoek binnen lectoraten en het uitvoeren van onderzoek door studenten. En
soms lijkt men er onterecht vanuit te gaan dat het hbo studenten opleidt tot onderzoeker en dat
deze altijd moeten afstuderen op een onderzoekscriptie.
Dat deze misverstanden er zijn is overigens niet vreemd. Over onderzoek in lectoraten en
onderzoeksactiviteiten van studenten heerst buiten maar helaas ook nog steeds binnen het hbo veel
verwarring. Hierdoor kunnen critici roepen dat het slecht gaat met onderzoek in het hbo. Het
tegendeel is het geval. Recent liet het Rathenau Instituut in een uitgebreid overzicht zien hoe
indrukwekkend het is wat er de afgelopen vijftien jaar is ontwikkeld1. De misverstanden zijn echter
zo hardnekkig dat er nog steeds opleidingen zijn die hier naar handelen. In mijn bijdrage zal ik eerst
ingaan op de oorsprong van de drie misverstanden en daarna zal ik een visie presenteren op hoe ze
weg te nemen zijn.
Misverstand 1: studenten in het hbo moeten afstuderen op een scriptie
Dit eerste misverstand vindt voor een deel van haar oorsprong in de invoering van het eerste
accreditatiestelsel in 2002. Vanaf dat moment worden zowel universitaire als hbo-opleidingen
geaccrediteerd door de NAO, later de NVAO. De 16 standaarden die de NVAO daarbij hanteert zijn
voor universitaire en hbo-opleidingen gelijk. Zo moet een visitatiepanel vaststellen of de beoogde
eindkwalificaties van de opleiding worden gerealiseerd. De NVAO vaardigt hiervoor al snel een
richtlijn uit waarin staat dat het panel een oordeel moet uitspreken over een aselecte steekproef van
15 “eindwerken”, zoals scripties door de NVAO worden genoemd.
Hoewel het NVAO-kader vanaf de eerste versie een duidelijk onderscheid maakt in orientatie
(wetenschappelijk versus beroepsgericht), gaat deze richtlijn duidelijk voorbij aan het verschil in
doelstelling tussen een universitaire en een hbo-opleiding. Een universitaire studie leidt in principe
op voor onderzoeker, of meer algemeen geformuleerd, tot academische vaardigheden en het
afstuderen toetst of de student daartoe in staat is. Het schrijven van een scriptie is over het
algemeen een geschikt middel om dat vast te stellen. Het hbo leidt echter op tot een diversiteit aan
beroepen waarin een combinatie van vaardigheden, houding en kennis van belang zijn. Voor het
aftoetsen van dergelijke praktijkgerichte competenties is meestal een scala aan verschillende
pf3
pf4
pf5

Partial preview of the text

Download Misunderstandings about Research in HBO Education: A Clarification and more Essays (university) Science education in PDF only on Docsity!

Drie misverstanden over onderzoek in het hbo

Dr. D.G (Daan) Andriessen is lector Methodologie van praktijkgericht onderzoek aan de Hogeschool Utrecht. Hij was voorzitter van de Expertgroep Protocol die in het rapport Beoordelen is mensenwerk uit 2014 een visie presenteerde op afstuderen in het hbo en de rol van onderzoek daarin.

Inleiding

In zijn column “De rampzalige neiging tot na-apen” in Hoger Onderwijs Management van mei 2016 betoogt In ’t Veld dat hogescholen moeten stoppen met het na-apen van universiteiten op het gebied van onderzoek. Hij noemt dit ‘academic drift’. Er is vaker kritiek te horen op het onderzoek in het hbo zoals door emeritus-hoogleraar Verschuren in zijn opiniestuk van 31 juli 2015 in De Volkskrant waarin hij stelt dat studenten in het hbo bij lange na niet genoeg getrained worden in onderzoek. Recent nog stelde Peter Kwikkers in Science Guide 18 augustus: “Niet zelden is hbo- onderzoek gewoon opiniepeiling, feitencollectie of gesubsidieerde consultancy.”

Een groot deel van die kritiek is naar mijn mening gebaseerd op een drietal hardnekkige misverstanden over onderzoek in het hbo. Zo wordt niet goed onderscheid gemaakt tussen het praktijkgerichte onderzoek binnen lectoraten en het uitvoeren van onderzoek door studenten. En soms lijkt men er onterecht vanuit te gaan dat het hbo studenten opleidt tot onderzoeker en dat deze altijd moeten afstuderen op een onderzoekscriptie.

Dat deze misverstanden er zijn is overigens niet vreemd. Over onderzoek in lectoraten en onderzoeksactiviteiten van studenten heerst buiten maar helaas ook nog steeds binnen het hbo veel verwarring. Hierdoor kunnen critici roepen dat het slecht gaat met onderzoek in het hbo. Het tegendeel is het geval. Recent liet het Rathenau Instituut in een uitgebreid overzicht zien hoe indrukwekkend het is wat er de afgelopen vijftien jaar is ontwikkeld^1. De misverstanden zijn echter zo hardnekkig dat er nog steeds opleidingen zijn die hier naar handelen. In mijn bijdrage zal ik eerst ingaan op de oorsprong van de drie misverstanden en daarna zal ik een visie presenteren op hoe ze weg te nemen zijn.

Misverstand 1: studenten in het hbo moeten afstuderen op een scriptie

Dit eerste misverstand vindt voor een deel van haar oorsprong in de invoering van het eerste accreditatiestelsel in 2002. Vanaf dat moment worden zowel universitaire als hbo-opleidingen geaccrediteerd door de NAO, later de NVAO. De 16 standaarden die de NVAO daarbij hanteert zijn voor universitaire en hbo-opleidingen gelijk. Zo moet een visitatiepanel vaststellen of de beoogde eindkwalificaties van de opleiding worden gerealiseerd. De NVAO vaardigt hiervoor al snel een richtlijn uit waarin staat dat het panel een oordeel moet uitspreken over een aselecte steekproef van 15 “eindwerken”, zoals scripties door de NVAO worden genoemd.

Hoewel het NVAO-kader vanaf de eerste versie een duidelijk onderscheid maakt in orientatie (wetenschappelijk versus beroepsgericht), gaat deze richtlijn duidelijk voorbij aan het verschil in doelstelling tussen een universitaire en een hbo-opleiding. Een universitaire studie leidt in principe op voor onderzoeker, of meer algemeen geformuleerd, tot academische vaardigheden en het afstuderen toetst of de student daartoe in staat is. Het schrijven van een scriptie is over het algemeen een geschikt middel om dat vast te stellen. Het hbo leidt echter op tot een diversiteit aan beroepen waarin een combinatie van vaardigheden, houding en kennis van belang zijn. Voor het aftoetsen van dergelijke praktijkgerichte competenties is meestal een scala aan verschillende

soorten toetsen nodig waarvan het schrijven van een werkstuk, bijvoorbeeld in de vorm van een advies, er één kan zijn.

Het rapport van de Commissie Bruijn “Vreemde ogen dwingen” uit 2012 heeft helaas ook bijgedragen aan dit misverstand. De commissie heeft heel goed werk verricht door het hbo erop te wijzen dat de kwaliteit van het afstuderen nog aanzienlijk kan worden verbeterd en vooral ook transparanter kan worden. Tegelijkertijd heeft ze overtuigend aangetoond dat het invoeren van landelijke examens (zoals een deel van de Tweede Kamer wenste) de toetskwaliteit alleen maar zal verminderen. Maar in één onderdeel van haar advies spreekt ze uit dat het wenselijk zou zijn dat er een landelijk protocol komt “bij individuele eindscripties en bij qua niveau en importantie vergelijkbare eindwerkstukken”.^2 Daarmee bevestigt de commissie het beeld dat afstuderen op werkstukken in het hbo de norm is.

Een van de gevolgen na 2002 is dat hbo-opleidingen in het afstuderen het schrijven van een scriptie centraal gaan stellen. Dit word nog sterker zodra steeds meer opleidingen worden afgekeurd op basis van een negatief oordeel van het visitatiepanel over de kwaliteit van de scriptie. Dat brengt mij bij het tweede misverstand.

Misverstand 2: de scriptie moet een verslag zijn van wetenschappelijk onderzoek

De oorsprong van het tweede misverstand ligt bij de nasleep van de gebeurtenissen bij hogeschool Inholland in 2010. In de zomer van dat jaar verschijnen er berichten in de Volkskrant over het “weggeven” van diploma’s aan langstudeerders van een opleiding bij deze hogeschool. Er ontstaan twijfels over het eindniveau van een aantal opleidingen en de Minister geeft de NVAO opdracht onderzoek te doen naar de kwaliteit en het niveau van de alternatieve afstudeertrajecten en de bijbehorende reguliere afstudeertrajecten van vier Inholland opleidingen. Een NVAO-commissie moet van eindwerken vaststellen of hun niveau voldoende is en of de cesuur van de opleidingen daarbij niet te laag ligt.

Die laatste opdracht maakt het voor de commissie onmogelijk om bij de beoordeling van de eindwerken uit te gaan van het beoordelingsmodel van de opleiding zelf. Dat staat immers ter discussie. Daarom ontwikkelt de commissie een eigen beoordelingsmodel met deels hbo-generieke en deels opleidingsspecifieke criteria “waarmee zou kunnen worden bepaald of sprake is van voldoende hbo-bachelor kwaliteit in het algemeen, en van het vereiste BE-, CE-, MEM-, en VTM- opleidingsniveau in het bijzonder”.^3

De criteria van de commissie gaan ervan uit dat het eindwerk van de opleidingen een verslag is van een wetenschappelijk onderzoek. Zo wordt in de criteria gekeken naar de onderzoeksdoelen, de onderzoeksopzet, de kwaliteit van het literatuuronderzoek en het empirische onderzoek, de theoretische verkenning, en de analyse van de onderzoeksresultaten. Deze criteria gaan in de periode na publicatie binnen het hbo een eigen leven leiden en worden bekend als de “Dunnewijk- criteria”, naar de naam van de voorzitster van de commissie. De commissie is een officiĂ«le NVAO- commissie en daardoor gaan opleidingen denken dat deze criteria officiĂ«le criteria van de NVAO zijn voor hbo-scripties, hoewel dat niet zo is. Dit draagt sterk bij aan de angst bij opleidingen waar In ’t Veld in zijn column naar verwijst.

De toenmalige HBO-raad draagt zelf ook bij aan deze verwarring in de nota “Kwaliteit als opdracht”.^4 De nota beschrijft een nieuwe standaard van de professionele bachelor die recht doet aan de steeds hogere eisen die de beroepspraktijk aan de hbo-afgestudeerde stelt. Een van de vier onderdelen van de standaard is het zogenaamde onderzoekend vermogen: “In onze moderne samenleving is het cruciaal dat hbo-bachelors over een onderzoekend vermogen beschikken dat leidt tot reflectie, tot

Terecht stelt In ’t Veld in zijn column, en voor hem Verschuren^8 , dat deze vorm van onderzoek vaak moeilijker is dan theoriegericht onderzoek dat binnen universiteiten plaatsvindt. Het is namelijk per definitie multidisciplinair omdat praktijkvraagstukken altijd verschillende aspecten hebben, het is complex omdat bij praktijkvraagstukken vele actoren zijn betrokken, en het is methodologisch ingewikkeld omdat het moeilijk is om (zoals in een laboratorium) contextvariabelen onder controle te brengen. Sinds 2007 heeft het hbo daarom een kwaliteitszorgstelsel dat moet bijdragen aan de kwaliteit van dit onderzoek (het Brancheprotocol Kwaliteitszorg Onderzoek) en sinds dit jaar besteedt dit stelsel veel meer aandacht aan de methodologische kwaliteit van het onderzoek^9.

Onderzoeksactiviteiten van studenten zijn heel anders van aard. Studenten moeten beschikken over onderzoekend vermogen dat bij draagt aan een betere uitoefening van het beroep waarvoor ze worden opgeleid. Dit onderzoekend vermogen bestaat uit drie onderdelen^5 :

a) een onderzoekende houding. Dit betekent dat studenten opmerkzaam, nieuwsgierig, bedachtzaam en kritisch zijn en bereid zijn informatie te delen^10 ; b) onderzoeksresultaten van andere onderzoeken kunnen toepassen. Dit betekent dat ze hun weg kunnen vinden in voor hun beroep relevante wetenschappelijke en vakliteratuur en deze kunnen beoordelen en zich eigen kunnen maken. c) onderzoek kunnen doen. Dit betekent dat ze de manieren van dataverzameling en -analyse die in de uitoefening hun beroep gebruikelijk zijn beheersen en kunnen inzetten om de informatie te verzamelen die nodig is bij het uitoefenen van het beroep. De kwaliteitseisen die hiervoor gelden zijn de eisen die in het beroep gebruikelijk zijn. Deze zijn veelal anders dan de eisen aan dataverzameling en – analyse die binnen wetenschappelijk onderzoek gebruikelijk zijn.

Het onderzoekend vermogen van hbo bachelor studenten hoeft niet te leiden tot kennis die nieuw is voor de wereld en die transfereerbaar is naar andere contexten dan die waarbinnen ze is ontwikkeld. Ook zijn de kwaliteitscriteria van het beroep leidend en niet die van wetenschappelijk onderzoek. Daarmee is er dus een groot verschil tussen praktijkgericht onderzoek van lectoraten en het onderzoekend vermogen van studenten. Ik pleit er daarom voor “praktijkgericht onderzoek” te reserveren als aanduiding van onderzoek van lectoraten en voor de studenten de term “onderzoekend vermogen” te hanteren.

Uitgangspunt 2: studenten tonen hun beroepsbekwaamheid in een

afstudeerprogramma dat uit verschillende onderdelen bestaat

Het onderwijs in het hbo is competentiegericht. Dat betekent dat de vaardigheden, houding en de kennis die nodig zijn voor de uitoefening van het beroep in samenhang worden gedoceerd en getoetst. Hoewel afzonderlijke kennistoetsen gedurende de opleiding heel goed mogelijk zijn, gebeurt het vaststellen van het eindniveau van een studenten aan de hand van een authentieke beroepsopdracht. Dit is een opdracht die zoveel mogelijk lijkt op een activiteit die een beginnende beroepsbeoefenaar moet kunnen. Het schrijven van een onderzoeksverslag is in vele beroepen waar het hbo voor opleidt geen authentieke beroepsopdracht (maar bij sommige opleidingen weer wel, denk aan een laboratorium opleiding).

Studenten worden vaak ook voor verschillende rollen opgeleid met verschillende competenties. Daarom zijn er verschillende beroepsopdrachten nodig om alle competenties op het vereiste eindniveau te toetsen. Binnen de lerarenopleiding worden studenten bijvoorbeeld opgeleid voor een lesgevende rol maar ook voor een rol waarin ze de schoolleiding moeten adviseren over het didactisch beleid. In het afstuderen worden dan ook zowel het les kunnen geven als het kunnen adviseren getoetst. Daarom spreken we tegenwoordig over een afstudeerprogramma dat bestaat uit

meerdere onderdelen. Dat programma kan al starten in het 3e^ jaar, bijvoorbeeld als daarin een praktijkstage zit waarin bepaalde eindkwalificaties kunnen worden afgetoetst.

De NVAO heeft haar richtlijn voor het bepalen van het eindniveau inmiddels hierop aangepast.^11 Visitatiepanels moeten niet alleen meer kijken naar eindscripties maar ook naar andere eindwerken die binnen het afstudeerprogramma worden gemaakt. De nieuwe richtlijn spreekt van een ‘palet aan eindprestaties’ en noemt als voorbeelden onder andere een portfolio, een beroepsproduct, een artikel, een artistieke prestatie of een combinatie hiervan.

Veel opleidingen in het hbo zijn op dit moment bezig om hun afstuderen opnieuw vorm te geven in een afstudeerprogramma dat uit meerdere onderdelen bestaat. Velen stappen daarbij af van de onderzoekscriptie als eindprestatie, hoewel sommige uit angst voor de accreditatie dat nog niet durven. De Vereniging Hogescholen doet op dit moment in het hele land pilots om te onderzoeken op welke manier deze omslag het beste kan plaatsvinden^12. Die angst van opleidingen is onterecht omdat de NVAO en ook de meeste evaluatiebureaus de nieuwe visie op afstuderen inmiddels onderschrijven. De voorbeelden van academic drift rond het afstuderen in de bachelor fase waarop In ’t Veld zich in zijn column baseert bestaan echter helaas nog steeds, maar als het goed is zijn die binnenkort allemaal verdwenen.

Uitgangspunt 3: opleidingen bepalen zelf de kwaliteitscriteria voor afstudeerprestaties

In de nasleep van de gebeurtenissen bij Inholland werden veel opleidingen bang voor de accreditatie. De nadruk in de accreditaties op de wezensvreemde onderzoekscripties, de van buiten opgelegde en vaak onduidelijke hbo-vreemde criteria voor de scripties en de onbekendheid bij veel leden van visitatiepanels met vormen van afstuderen die passen bij het hbo gaf opleidingen het gevoel geen controle meer te hebben over hun eigen afstudeerprogramma. Opleidingen gingen zich gedragen als konijntjes die in koplampen staren. Dat tij is gekeerd. Het zelfvertrouwen is terug. Opleidingen ontwikkelen een eigen visie op de rol van onderzoekend vermogen in het beroep waarvoor ze opleiden. Ze ontwerpen afstudeerprogramma’s die passen bij de te toetsen competenties. Ze gebruiken verschillende soorten beroepsproducten^7 als eindprestaties en nemen daarmee zelf weer het voortouw.

Een belangrijke voorwaarde daarbij is dat opleidingen zelf bepalen welke prestatiecriteria zij hanteren bij het beoordelen van de eindprestaties. Deze criteria hangen immers nauw samen met de competenties die worden getoetst. Een landelijk protocol voor beoordeling van eindprestaties, zoals de Commissie Bruijn leek te willen, is dan ook niet mogelijk omdat de te toetsen competenties per opleiding verschillen. De NVAO onderschrijft inmiddels deze visie. In haar nieuwe richtlijn staat uitdrukkelijk dat het panel de criteria hanteert die de opleiding toepast bij de beoordeling van de eindwerken. Alleen als het panel het niet eens is met de criteria mag er met andere criteria worden gewerkt. In dat geval is het panel het in feite niet eens met het toetsbeleid van de opleiding en zou de opleiding op de standaard over het toetsbeleid (standaard 3) kunnen worden afgekeurd.

Het is opvallend hoe snel misverstanden over onderzoek zich in de hbo-sector hebben kunnen verspreiden en hoe hardnekkig deze misverstanden vaak nog zijn. Gelukkig zijn opleidingen weer assertief aan het worden en bouwen ze op basis van een hernieuwd zelfvertrouwen aan een valide en betrouwbaar afstudeerprogramma dat past bij het unieke karakter van het hbo-onderwijs.

Noten

  1. De Jonge J. Praktijkonderzoek Bij Lectoraten van Hogescholen. Den Haag; 2016.
  2. Commissie externe validering examenkwaliteit hoger beroepsonderwijs. Vreemde Ogen Dwingen. Den Haag; 2012. www.vereniginghogescholen.nl.