Oosterse filosofie | Michel Dijkstra, Essays (university) of Philosophy

Script over "Oosterse filosofie" van Michel Dijkstra van de Instituut voor filosofie

Typology: Essays (university)

2020/2021

Uploaded on 05/10/2021

PaulsenP
PaulsenP 🇳🇱

4

(1)

85 documents

1 / 128

Toggle sidebar

This page cannot be seen from the preview

Don't miss anything!

bg1
Oosterse filosofie
Michel Dijkstra
pf3
pf4
pf5
pf8
pf9
pfa
pfd
pfe
pff
pf12
pf13
pf14
pf15
pf16
pf17
pf18
pf19
pf1a
pf1b
pf1c
pf1d
pf1e
pf1f
pf20
pf21
pf22
pf23
pf24
pf25
pf26
pf27
pf28
pf29
pf2a
pf2b
pf2c
pf2d
pf2e
pf2f
pf30
pf31
pf32
pf33
pf34
pf35
pf36
pf37
pf38
pf39
pf3a
pf3b
pf3c
pf3d
pf3e
pf3f
pf40
pf41
pf42
pf43
pf44
pf45
pf46
pf47
pf48
pf49
pf4a
pf4b
pf4c
pf4d
pf4e
pf4f
pf50
pf51
pf52
pf53
pf54
pf55
pf56
pf57
pf58
pf59
pf5a
pf5b
pf5c
pf5d
pf5e
pf5f
pf60
pf61
pf62
pf63
pf64

Partial preview of the text

Download Oosterse filosofie | Michel Dijkstra and more Essays (university) Philosophy in PDF only on Docsity!

Oosterse filosofie

Michel Dijkstra

4 Oosterse filosofie

Inleiding

‘Oh East is East and West is West and never the twain shall meet.’ Deze dichtregel van Rudyard Kipling, de negentiende-eeuwse Engelse auteur die zijn faam voornamelijk aan het onvolprezen Jungle Book dankt, wordt vaak gebruikt om de onverenigbaarheid van de westerse en oosterse wereld te on- derstrepen. Beide zienswijzen zouden zó van elkaar verschillen, dat ze elkaar onmogelijk kunnen begrijpen, laat staan in gesprek gaan. In de huidige, geglobaliseerde wereld is zo’n relativistische opvatting niet langer houdbaar. India en China behoren al geruime tijd tot de snelst groei- ende economieën en doen hun invloed steeds meer gelden, ook op politiek vlak. Regelmatig duikt in de media de gevleugelde zin op dat ‘de Eeuw van China’ is aangebroken. Deze nieuwe situatie leidt ertoe dat kennis van de Aziatische cultuur steeds relevanter wordt voor de westerse mens. De ooster- se wijsbegeerte is echter voor velen nog onbekend terrein. Bovendien bestaat de common sense kennis over deze traditie voor een groot deel uit clichés of wordt zij vertekend door een roze bril, zoals het dweepzieke hippie-jaren- zestigbeeld van het Indiase denken. Dit is jammer, want de oosterse filosofie bevat een schat aan fascinerende inzichten voor wie de tijd en moeite neemt om zich erin te verdiepen. Dit cursusboek wil een leidraad zijn voor iedereen die een eerste verken- ningstocht naar het filosofische Oosten onderneemt. Aan de hand van de drie belangrijkste Aziatische cultuurgebieden, India, China en Japan, wor- den de geschiedenis en de belangrijkste denkbeelden uit het oosterse denken belicht. Soms lijken deze opvattingen uit een geheel ander paradigma dan het onze afkomstig, maar vaak zijn er ook treffende overeenkomsten. Zo zijn Boeddha’s opvattingen over compassie of Confucius’ leefregel ‘Wat je voor jezelf niet wilt, doe dat ook een ander niet aan’ voor ons direct herkenbaar. Binnen het cursusboek neemt de boeddhistische wijsbegeerte een bijzondere plek in. Deze stroming, die door de vooraanstaande Vlaamse comparatieve filosoof Ulrich Libbrecht terecht ‘dé spiritualiteit van het Oosten’ wordt ge- noemd, ontstond in India, ontwikkelde zich verder in China en werd ver- volgens populair in grote delen van Zuidoost-Azië en Japan. Zo vormt het boeddhisme een centrale tak van de oosterse filosofie en geniet zij bovendien een steeds grotere bekendheid in het Westen.

Inleiding 5

De Indiase filosofie

Het vertrekpunt van de cursus, die een chronologische opbouw heeft, is de Indiase filosofie. De oudste wijsheidsteksten uit deze traditie ontstonden in de twaalfde eeuw v.Chr., vele eeuwen voordat de presocraten ten tonele verschenen. Opvallend genoeg is filosofie in het oude India vanaf het begin geen puur theoretische aangelegenheid, maar heeft zij een praktisch karak- ter. De Indiër filosofeert in de eerste plaats dan ook niet omdat hij een ‘vriend van de wijsheid wil worden’, maar om de verlossing te bereiken: de gelukza- lige toestand die het lijden overstijgt, dat veroorzaakt wordt door het steeds opnieuw geboren worden, de reïncarnatie. Het hindoeïsme en boeddhisme presenteren verschillende visies op de be- vrijding. Hun redetwisten hebben de Indiase filosofie voor een belangrijk deel gedomineerd. Behalve de denkbeelden van de anonieme grondleggers van het hindoeïsme en Boeddha, komen ook latere klassieke denkers aan bod, zoals de binnen de traditie als heilig vereerde boeddhist Nagarjuna en de kampioen van het hindoeïsme, Shankara.

De Chinese filosofie

Net als het Indiase denken heeft de Chinese filosofie een praktisch karakter. Deze traditie houdt zich in de beginperiode hoofdzakelijk bezig met sociale en politieke wijsbegeerte. Confucius, die in de zesde eeuw v.Chr. leefde, filosofeert levenslang over de vraag hoe de staat het beste bestuurd moet worden en hoe de mens zich kan ontwikkelen tot een moreel hoogstaand in- dividu. Daarbij benadrukt Confucius het belang van sociale regels en rituele omgangsvormen. Lijnrecht tegenover deze confucianistische opvatting staat het taoïsme: een filosofie van de vrijheid, spontaniteit en non-conformisme. Lao Zi, ‘De Oude Meester’, en Zhuang Zi, de grondleggers van deze stroming, raden de mens aan om de natuurlijke Weg of Tao der dingen te volgen en niet verstrikt te raken in machtshonger of winstbejag. Een soortgelijke visie is te vinden in het chanboeddhisme, de meest ‘Chinese’ van alle boeddhistische scholen uit het Rijk.

De Japanse filosofie

Van de drie cultuurgebieden uit deze cursus heeft Japan de jongste filoso- fische geschiedenis. De eerste officiële kroniek van het land dateert uit de achtste eeuw en vormt een mengeling van shintoïstische godenverhalen en

Inleiding 7

dende boeken over de behandelde filosoof en eventueel de stroming waartoe hij wordt gerekend. Achter in het cursusboek bevindt zich een glossarium dat de voornaamste begrippen uit de diverse hoofdstukken belicht.

Vijf suggesties voor het bestuderen van dit lesboek

Teksten over filosofie vragen veel aandacht en denkkracht. Dat komt omdat ze zowel eeuwenoude filosofische vraagstukken beschrijven als nieuwe vi- sies op die vraagstukken. Ook kent filosofie een groot aantal vaktermen, die vaak per filosoof weer een iets andere betekenis hebben. Hier vijf tips om teksten over filosofie beter te doorgronden.

  1. Wees geduldig. Verwacht niet dat de tekst na één keer lezen volkomen te begrijpen is. Reserveer voldoende tijd om de tekst zeker twee à drie keer te lezen.
  2. Vorm eerst een globaal beeld van het te lezen hoofdstuk: bekijk de ti- tel, kopjes en tussenkopjes. Lees eventueel de inleiding of de kadertekst. Probeer te bedenken waar het hoofdstuk over gaat. Noteer eventuele vra- gen.
  3. Ga nu de tekst helemaal lezen en pak er een potlood bij. Onderstreep belangrijke zinnen en zet vraagtekens bij wat u niet begrijpt. Lees het hoofdstuk in elk geval uit, ook al begrijpt u nog niet alles wat er staat. Zijn er woorden die u niet kent? Veel filosofische termen staan in het glossarium achter in het lesboek. Maak ook gebruik van woordenboeken en encyclopedieën.
  4. Nog beter is het om per paragraaf een samenvatting te maken. Zo krijgt u grip op de stof. Veel lezers vinden het handig om een zogenaamde ‘mind- map’ te maken. Een mindmap is een visuele manier van aantekeningen maken. Met pijlen brengt u verbanden tussen begrippen en uitspraken aan, wat uw inzicht in de tekst vergroot en onthouden vergemakkelijkt.
  5. Bestudeer in een volgende leesronde actief de passages waar vraagtekens bij staan. Doordat u nu al kennis heeft van de rest van de tekst, krijgt u ook meer begrip voor de moeilijker stukken. Als u na deze ronde nog met vragen blijft zitten, aarzel dan niet om ze aan de docent te stellen.

8 Oosterse filosofie

Dankwoord

Ik dank Jeroen Jurjens voor de opdracht van het schrijven van dit boek en zijn grote inspanningen voor de cursus Oosterse filosofie, Frank Rebel voor de zorgvuldige redactie van de teksten, dr. Bruno Nagel voor het lezen en becommentariëren van de hoofdstukken over Indiase filosofie, dr. René Ransdorp voor zijn opmerkingen bij het onderdeel Chinese wijsbegeerte, dr. Henny van de Veere (Universiteit Leiden) voor de manier waarop hij het Japanse deel heeft nagekeken, de deelnemers van de masterclasses Oosterse filosofie voor hun enthousiasme en waardevolle suggesties, Bertus Bakker voor het vertalen van een Frans citaat, Tanny Dobbelaar voor het schrijven van de vijf suggesties hoe dit boek het best kan worden bestudeerd en ten slotte wil ik de cursisten uit Groningen hartelijk bedanken voor de stimulans en eerste aanzet tot het vervaardigen van dit cursusmateriaal.

Michel Dijkstra

Over de auteur

Drs. Michel Dijkstra is filosoof, journalist en docent. Artikelen van zijn hand verschenen onder andere in Filosofie Magazine en het dagblad Trouw. Daarnaast publiceerde hij Oosterse filosofie in een notendop (Amsterdam, Bert Bakker, 2008), de bloemlezing Bij Lao Tsé op de thee (Amsterdam, Prometheus,

  1. en Zenboeddhisme. De kunst van het loslaten (Amsterdam, Ambo, 2010). Momenteel werkt hij aan zijn promotieonderzoek over eenheid en veelheid in de filosofie van Meister Eckhart en zenmeester Dogen.

10 Oosterse filosofie

gehechtheid ( moksha ). Vooral over de laatste twee onderwerpen werd door de verschillende scholen van de Indiase filosofie pittig gediscussieerd. Dankzij de vier levensdoelen heeft deze wijsbegeerte een praktische inslag. Filosofie bete- kent in het klassieke India dan ook niet primair ‘liefde tot de wijsheid’. Het door- gronden van mens en wereld is namelijk geen doel op zich, maar staat in dienst van het hoogste, praktische doel, het bereiken van de bevrijding uit het rad van wedergeboorte. Deze vraag, ‘Hoe kan ik de verlossing bereiken?’, wordt voor het eerst aan de orde gesteld in de Veda.

Ontstaan van de Vedische traditie

Het woord ‘Veda’ betekent letterlijk ‘het Weten’ en slaat op een geweldig om- vangrijke tekstverzameling, die tussen de twaalfde en de zesde eeuw v.Chr. ontstond. Deze geschriften werden gebruikt door de brahmanen, de tradi- tionele priesterstand, voor de uitvoering van hun offerrituelen. De Veda is geschreven in de brahmaanse cultuurtaal, het Sanskriet, dat in het klassieke India eenzelfde status heeft als het Latijn in de Europese middeleeuwen. Over de culturele achtergrond van de eerste Indiase filosofische teksten zijn de geleerden het niet eens. Sommigen stellen dat de brahmaanse offercultuur ontstond ten tijde van de invasies van Arische stammen die het subcontinent waarschijnlijk tussen 1500 en 1200 v.Chr. binnentrokken. Anderen wijzen er juist op dat deze beschaving voortkwam uit de inheemse Induscultuur, waarvan het schrift slechts gedeeltelijk is ontcijferd. Het voornaamste gedeelte van de Veda bestaat uit vier tekstenbundels of Samhita’s , waarvan de Rigveda de alleroudste is. Dit geschrift fungeerde als liedboek voor de voorzanger tijdens offerrituelen. Behalve hymnen om de go- den goedgunstig te stemmen, bevat de Rigveda enkele speculatieve passages. Een voorbeeld hiervan is de Scheppingshymne , waarin de dichter zich afvraagt hoe het universum is ontstaan. Hij stelt dat zelfs de hoogste god het antwoord op deze vraag misschien niet weet: ‘Toen was er zijn noch niet-zijn./ De at- mosfeer was er niet, noch de hemel erboven./ (…) Toen was er dood noch niet-dood./ Tussen dag en nacht was geen verschil./ Alleen dat ene ademde kalm, zichzelf voldoende./ Iets anders dan Het was er niet, noch iets boven Het.// Wie weet dit? Wie kan ons met zekerheid zeggen/ Waaruit en hoe dit universum is ontstaan?/ Of de goden niet pas later leefden?/ Wie kan dan weten waaruit het is ontstaan?// De bron waaruit het universum is ontstaan,/

Samhita’s

1 - Indiase filosofie: de Vedische traditie 11

en of het was geschapen, of zonder begin is,/ Is slechts bekend aan Hem die vanuit de hoogste hemel/ Regeert -de alziende Heer- of weet hij het niet?’ Hoewel de brahmanen geen definitief antwoord op de vraag naar het ont- staan van de kosmos formuleren, geloven ze wel dat het een geordend geheel is. Bovendien gaan ze er vanuit dat er een verband bestaat tussen de macro- kosmos, het heelal dat door goden en machten wordt beheerst, en de mi- crokosmos, de mens. Het offerritueel speelt een cruciale rol in deze theorie. Brahmanen werden namelijk ingehuurd door rijke cliënten die zegeningen van de goden wilden verwerven, zoals veel zoons of een goede oogst. Als een brahmaan op de juiste manier offert, vereert hij niet alleen de goden maar ‘versterkt’ tevens hun kracht zodat de cliënt ervan verzekerd was dat hij zijn zegen ontvangt. Op die manier wordt de kosmische orde bevorderd. Andersom geldt dat een foutief uitgevoerde offerande leidt tot chaos in de wereld van goden en mensen.

Er zijn maar weinig fi- losofen uit de Vedische traditie bekend. Een uitzondering vormt de wijsgeer Yajnavalkya , die waarschijnlijk tus- sen 800 en 600 v.Chr. leefde. Het is echter geenszins zeker of hij werkelijk heeft bestaan. Traditionele bronnen melden dat hij een uit- muntende kennis van het offerritueel en van de mystieke leer van Atman en Brahman bezat. Zo stelt de Brhadaranyaka-Upanishad dat een koning benieuwd was welke priester het best onderlegd was in de Veda’s. De koning riep zo- veel mogelijk brahmanen bijeen en toonde aan hen duizend koeien met gouden munten aan de hoorns. Toen de koning bekendmaakte dat de

wijste priester de dieren mocht hebben, eiste Yajnavalkya ze op. De andere brahmanen wer- den jaloers en gingen een filosofisch debat met hem aan. Yajnavalkya spreidde echter zoveel kennis tentoon, dat de opponenten uiteindelijk niets meer te zeggen hadden. In een ander beroemd verhaal onderwijst de fi- losoof een van zijn twee vrouwen, Maitreyi, in de Atman-leer. Volgens hem is dit principe het kostbaarste op aarde: ‘Niet om de schepselen zelf zijn de schepselen geliefd, maar om het ‘zelf’ (Atman) zijn de schepselen geliefd. Het zelf moet men kennen, horen, door het denken vatten, overpeinzen, Maitreyi, door het zien, ho- ren, overdenken, begrijpen van het ‘zelf’ wordt dit al gekend.’

1 - Indiase filosofie: de Vedische traditie 13

tatie bezighielden. Al snel kregen de wijze mannen gezelschap van groepen leerlingen, die hun filosofie wilden bestuderen. Aan deze praktijk dankt de betiteling ‘Upanishad’, ‘zitten aan de voeten van de meester’, zijn naam. Het vroege Vedische denken legt de nadruk op het hier en nu: de priesters voerden hun offers uit om de vrede en voorspoed van hun klanten, de rijke offerheren, te bevorderen. In de Upanishaden verschuift deze aandacht naar het verwerven van bevrijding uit het aardse leven. Daarbij worden enkele concepten, die in de eerdere Vedische teksten een ondergeschikte rol spelen, nader uitgewerkt.

Reïncarnatie en karma

In de oudste Upanishaden zijn de eerste, prille theorieën over reïncarnatie te vinden. Zo beweert een auteur dat de mens na zijn dood voortleeft in het rijk van Yama, de god van de dood. Ook in dit dodenrijk heeft de mens niet het eeuwige leven, hij sterft en komt opnieuw op aarde terecht. Deze opeenvolging van geboorten is eindeloos. Later denken de filosofen dat de mens steeds op aarde geboren wordt, maar dat hij verschillende bestaans- vormen kan aannemen, zoals dieren, planten of zelfs levenloze zaken. Zo stelt de Katha-Upanishad : ‘Sommige zielen gaan de schoot binnen voor hun belichaming, anderen betreden vaste objecten overeenkomstig hun daden en gedachten.’ Deze theorieën worden later gesystematiseerd door de filosofi- sche scholen van het hindoeïsme en boeddhisme. Volgens sommige populaire opvattingen heeft het begrip ‘reïncarnatie’ een positieve bijklank. De mens wordt steeds opnieuw geboren zodat hij zich eindeloos kan ontwikkelen. Deze visie staat echter haaks op de klassieke Indiase invulling van het concept. Reïncarnatie is in de eerste plaats een deprimerend gegeven: de mens moet meedraaien in een eeuwig rad van ver- gankelijkheid en lijden. In ieder nieuw leven zal hij dingen meemaken waar- door hij ongelukkig wordt. Een begrip dat nauw met reïncarnatie samenhangt, is karma : het resultaat van alle goede en slechte daden die de mens in zijn leven verricht. Goed karma verwerft de mens als hij zich aan alle religieuze en maatschappelijke wetten houdt. Op die manier kan hij opnieuw als mens worden geboren. Overtreedt hij echter de orde, bijvoorbeeld door een moord te plegen, dan is de kans groot dat hij als dier terugkeert. Volgens de Indiase filosofie is karma dan ook een mysterieuze, ijzeren kosmische wet. Er is geen god die bepaalt hoe men reïncarneert.

karma

reïncarnatie

14 Oosterse filosofie

Wie opnieuw geboren wordt als mens, komt bovendien in een bepaalde maatschappelijke klasse terecht. In de Vedische periode is het bij ons in het Westen bekende, moderne kastesysteem nog niet ontwikkeld. Wel zijn er vier standen: de priesters, de vorsten en ridders, de boeren en kooplieden, en ten slotte de dienaren. Voor elk van deze standen gelden specifieke sociale en religieuze voorschriften. Het is niet verwonderlijk dat er in de Vedische Indiase maatschappij weinig ruimte voor sociale mobiliteit bestaat: wie tot een hogere stand wil behoren, moet simpelweg wachten op een betere in- carnatie.

Verlossing

De visie op het menselijk bestaan uit de Upanishaden lijkt op het eerste ge- zicht buitengewoon pessimistisch: het subject zit gevangen in het rad van wedergeboorte en zijn maatschappelijke stand. Dit is de orde waarnaar hij zich dient te voegen. Toch bevat deze tekstverzameling nog een andere theo- rie, die draait rondom het verlossingsconcept ( moksha ). Wie deze bevrijding bereikt, hoeft niet meer mee te draaien in het rad van wedergeboorte en staat, in ieder geval na de dood, boven het lijden. Het praktische karakter van de Indiase filosofie komt tot uiting in de opvatting dat men de verlossing verwerft dankzij een combinatie van het juiste inzicht en spirituele praktij- ken als yoga en meditatie. Het is niet voldoende om de theorieën over ver- lossing te bestuderen en te begrijpen, de mens moet ze ook verwezenlijken.

Atman en Brahman

Volgens de auteurs van de Upanishaden wordt de mens verlost als hij opgaat in een hoogste principe, dat de hele werkelijkheid omvat en draagt. Net als de oude Griekse denkers zijn de Indiase filosofen dan ook op zoek naar een oersubstantie waaruit de veelheid van de ons omringende wereld voortkomt. De wijsgeren uit India speuren echter niet alleen naar dit principe om de wereld te verklaren, maar eerst en vooral om het hoogste van de vier prak- tische levensdoelen, de verlossing, te realiseren. In de oudste Upanishaden is een groot aantal theorieën over het hoogste principe te vinden. Sommige filosofen noemen het water, andere lucht en weer andere vuur. De meest invloedrijke verlossingstheorie draait echter niet om een element, maar om het begrip Brahman (het geestelijke, universele ‘zelf’ of de ‘dragende, al-door-

moksha

Brahman

16 Oosterse filosofie

eerder dat hij met het hart van de werkelijkheid versmelt. De ‘gebonden’ en de ‘bevrijde’ mens bevinden zich in dezelfde wereld, ze hebben alleen een ander perspectief. Na de dood liggen de zaken echter anders: terwijl de ge- bonden mens opnieuw reïncarneert en met het lijden wordt geconfronteerd, zal de bevrijde mens definitief opgaan in Brahman. In de beroemde Chandogya-Upanishad wordt deze eenheid van Atman en Brahman uitgelegd door een wijze vader aan zijn zoon. De vader laat zijn zoon vruchten van een grote boom breken en vervolgens de minuscule zaad- jes, tot hij niets meer ziet. Dit onzichtbare vormt de levensschenkende kern van de boom. Hetzelfde geldt voor het universum: dit heeft het onzichtbare Brahman als essentie. Omdat dit principe aan alle dingen ten grondslag ligt, vallen alle mensen, inclusief de zoon, er ten diepste mee samen. De vader besluit zijn betoog dan ook met een triomfantelijke uitroep: ‘ Tat tvam asi! ’ (‘Jij bent dat [Brahman]!’) De Upanishad-filosofen benadrukken dat de ervaring van het hoogste prin- cipe onbeschrijfelijk is. Juist omdat de aard van Brahman alomvattend en onbegrensd is, kan de menselijke taal hem niet vatten. Als je er toch over wilt spreken, kan dit het beste in ontkennende formuleringen, waardoor het duidelijk wordt wat het niet is. Of, zoals de Upanishaden stellen: ‘Is Brahman dit of dat? “ Neti, neti! ” (‘Nee, nee!’)’ Wie Atman en Brahman wil leren ken- nen, kan beginnen met de filosofie, maar moet uiteindelijk streven naar de woordloze ervaring. Deze gedachten uit de klassieke Indiase filosofie vormen een fraaie paral- lel met de negatieve theologie uit de westerse middeleeuwen. Volgens deze traditie is God zo verheven dat het menselijk kenvermogen Hem niet kan bevatten en de taal niet in staat is om Hem te benoemen. Toch bestaat er wel een manier om God te kennen, namelijk door je te richten op de kern van de ziel. Meister Eckhart (1260-1328) beweert dan ook dat ‘Gods grond’ en de ‘grond van de ziel’ elkaar raken. Net als in de Upanishaden geldt de ervaring in de negatieve theologie als een bron van kennis voorbij alle woorden.

De invloed van de Upanishaden op de Indiase filosofie

De Upanishaden , die de eerste bloeitijd van het Indiase speculatieve denken representeren, bevatten een diepgaande reflectie op de vraag: ‘Hoe kan ik de verlossing bereiken?’ Hiermee wordt de toon voor de latere wijsbegeerte

1 - Indiase filosofie: de Vedische traditie 17

gezet. Omdat het verlossingsconcept een sterke religieuze en spirituele bij- klank heeft, hebben sommige geleerden zich afgevraagd of de filosofie in India slechts een bijspan van de religie is. Deze vraag verraadt echter een modern westers perspectief. Net als voor de middeleeuwse scholastieke den- ker bestond er voor de Vedische Indiase filosoof geen scherp onderscheid tussen rede en religie. Beide onderwerpen werden ingezet om filosofische problemen op te lossen. Daarnaast is de Indiase filosofieopvatting anders dan de Griekse: de Indiase wijsgeren zoeken naar het juiste inzicht vanwege zijn praktische nut voor het bestaan. Denken over het leven en leven liggen in elkaars verlengde. De grote nadruk op het verlossingsthema wil echter niet zeggen dat de Indiase filosofie geen andere deelgebieden kent: net als in het Westen zijn logica, kennistheorie en ontologie volop vertegenwoordigd. Het kardinale belang van de vroege Vedische teksten en de Upanishaden is dat zij het paradigma introduceren waarbinnen de Indiase filosofie zich ver- der ontwikkelt. De hindoeïstische filosofie vloeit direct uit dit denken voort en beschouwt de Veda als de canonieke tekst, een opvatting die goed ver- gelijkbaar is met de status van de Bijbel binnen de christelijke wijsbegeerte. ‘Atman’, ‘Brahman’ en ‘verlossing’ blijven de kernbegrippen van deze tradi- tie, die bekendstaat als de orthodoxe filosofie. Ook Boeddha, die de auto- riteit van de Veda niet erkent en in vele opzichten lijnrecht tegenover zijn orthodoxe tijdgenoten staat, kan zich niet geheel aan het denkkader van de Upanishaden onttrekken. In zijn filosofie spelen reïncarnatie en karma even- eens een rol. Net als de filosofen voor hem zoekt Boeddha naar de verlossing, maar vindt hij een ander antwoord.

Identiteit van het persoonlijke ‘zelf’ [de ziel] met het universele ‘zelf’

In de volgende tekst, die uit de Chandogya- Upanishad afkomstig is, voert de wijze brah- maan Uddalaka Aruni een gesprek met zijn zoon Svetaketu. Deze vierentwintigjarige jon- gen heeft net een leerperiode van twaalf jaar afgerond bij enkele priesters die hem alles over

de Veda’s leerden. Zijn vader merkt echter dat Svetaketu arrogant is geworden en vraagt hem of hij zich wel verdiept heeft in ‘de leer waar- door het ongehoorde gehoord wordt, het onge- dachte gedacht en het ongekende gekend.’ De jongen weet van niets. Daarop legt Uddalaka

1 - Indiase filosofie: de Vedische traditie 19

eerwaarde.’ ‘Breek hem doormidden.’ ‘Ik heb het gedaan, eerwaarde.’ ‘Wat zie je er binnenin?’ ‘Een soort kleine korrels, eerwaarde.’ ‘Welnu, breek één ervan doormidden.’ ‘Ik heb het gedaan, eerwaarde.’ ‘Wat zie je er binnenin?’ ‘Niets, eerwaarde.’ Hij zei tot hem: ‘Van die fijne substantie, die je niet kunt zien, beste jongen, daarvan is die vijgenboom gemaakt, die daar zo hoog zich verheft. Geloof, beste jongen. Het heelal heeft de fijnste essentie tot ‘zelf’, dat is het werkelijke, dat is het ‘zelf’. Jij bent het, Svetaketu.’ ‘Leer mij nog verder, eerwaarde.’ ‘Goed, beste jongen,’ zei hij.

VI- ‘Werp dit zout in water en kom morgenochtend bij mij.’ Dat deed hij. Hij zei tot hem: ‘Breng mij het zout, dat je gisteravond in het water hebt gewor-

pen.’ Hij tastte ernaar, maar vond het niet, want het was opgelost. ‘Welnu, drink iets van de ene kant. Hoe smaakt het?’ ‘Naar zout.’ ‘Drink iets uit het midden. Hoe smaakt het?’ ‘Naar zout.’ ‘Drink iets van de andere kant. Hoe smaakt het?’ ‘Naar zout.’ ‘Eet iets an- ders [?] en kom weer bij me.’ Zo deed hij, met de woorden: ‘Het is aldoor hetzelfde.’ Hij zei tot hem: ‘Evenzo zie je het zijnde hier niet en toch is het er, beste jongen. Het heelal heeft de fijnste essentie tot ‘zelf’, dat is het werkelijke, dat is het ‘zelf’. Jij bent het, Sve- taketu.’

Uit: Vier Upanisaden, Amsterdam, Meulenhoff, 1977, 154-155. De vertaling is van Ali Beth.

Aanbevolen literatuur

  • G. Chemparathy, ‘De Veda’s als bron van het hindoeïsme’ en ‘De filosofie van de Upanishads’, in: De verbeelding van het denken (red. Jan Bor, Errit Petersma en Jelle Kingma, Amsterdam, Contact, 2004), p. 62-66.
  • B. Nagel, ‘Indiase filosofie’, in:^ Wereldfilo- sofie (red. Hans van Rappard en Michiel Leezenberg, Amsterdam, Prometheus, 2010), p. 60-99.
  • D. Tiemersma,^ De elf grote Upanishaden (Gouda, Advaita Centrum, 2008).

20

Volgens traditionele bronnen leefde Boeddha, die voor zijn verlichting Siddharta Gautama werd genoemd, in de vijfde eeuw v.Chr. Als deze datering klopt, is hij een tijdgenoot van twee andere grote persoonlijkheden: Socrates, de stamvader van de Griekse filosofie, en Confucius, de eerste belangrijke wijsgeer van China. De Duitse filosoof Karl Jaspers (1883-1969) stelt dat de vijfde eeuw v.Chr. deel uitmaakt van de zogenaamde ‘Spiltijd’ of het ‘Axiaaltijdperk’. In deze periode, die Jaspers tussen achthonderd en tweehonderd v.Chr. dateert, vinden volgens hem de belangrijkste ontwikkelingen uit de geschiedenis van de filosofie en religie plaats. Socrates’ definitie van de wijsbegeerte als een kritisch zelfonderzoek is nog altijd actueel en de leer van Confucius heeft het Chinese intellectuele toneel meer dan anderhalf millennium beheerst. Ook Boeddha is volgens Jaspers een religieus en filosofisch genie, een revolutionair die de geestesgeschiedenis van India definitief veranderde. Net als de filosofen vóór hem, de anonieme auteurs van de Upanishaden , houdt Boeddha zich bezig met het vraagstuk van de bevrijding uit het rad van weder- geboorte. Opvallend genoeg hecht hij weinig tot geen waarde aan metafysische speculaties, waardoor zijn leer nog praktischer is dan die van de Upanishaden****. Vragen als ‘Hoe is het universum ontstaan?’ of ‘Heeft de mens een onvergankelij- ke essentie?’ helpen het naar verlossing strevende individu niet op weg. Integen- deel: zulke kwesties leiden maar tot verwarring en filosofische haarkloverijen. Boeddha is dan ook in de eerste plaats een praktisch georiënteerde meditatiele- raar die zijn leerlingen wil helpen in hun zoektocht naar de bevrijding. De praktische inslag van Boeddha’s leer werpt de vraag op in hoeverre hij een filosoof is. Deze Indiase leraar wilde in ieder geval geen alomvattend systeem ontwerpen waarin allerlei wijsgerige problemen uitputtend worden behandeld.

De filosofie van

Boeddha

‘Monniken, er is het ongeborene, het ongewor- dene, het ongemaakte, het ongeconditioneerde.’ Boeddha