Download Language Acquisition: Challenges in Second Language Learning and more Study notes Grammar and Composition in PDF only on Docsity!
H1: ONDERZOEK NAAR VREEMDETAALVERWERVING VANUIT VERSCHILLENDE
INVALSHOEKEN
Zeer ruim: - meer dan 7000 talen
- meertaligheid is regel Interlanguage: - taalgebruik leerder verschilt vn taalgebruik moedertaalspreker
- Dynamisch systeem: vertoont kenmerken moedertaal maar zal steeds meer kenmerken vreemde taal krijgen
- Idiosyncratisch 1.1. Vreemdetaalverwerving (SLA) = studie van alle aan taal gerelateerde problemen
- Onderzoeksmethoden:
- Kwantitatief onderzoek: cijfermateriaal grote groepen proefpers veralgemenen
- Kwaltiatief onderzoek: hoe?, warm? kleine groepen individuen gedetailleerde kkkkkkkinforomatie
- Mixed methods research 1.2. Psycholinguistiek *richt op cognitieve processen = taalverwerving
- aandacht taalverwerving kinderen (L1)
- methoden: gedragsexperimenten (actieve zinnen makkelijker verwerkt dan passieve), reactietijden, Eye-tracking, heat-maps,…
- Steven pinker
- Mondegreen = mis begrijpen vn woord of zin (bvb songteksten)
- Facetten taalbegrip: auditieve waarneming: geluidsgolven bereiken oor via auditieve cortex brein hecht betekenis aan die golven
- Oorzaken Misverstanden:
- Geluidsinterferentie
- accent of intonatiepatroon
- onvoldoende vertrouwd met taalsysteem: menselijke taal = vloeiende stroom geluiden belang syllabificatie + semantische kennis L1 sprekers andere woordverwerkingstrategienen dan nodig begrijpen vn L Oroniemen = woordcombo die op andere woordcombo lijkt in uitspraak maar anders kkkkgespeld *Gebrek aan visuele ondersteuning of problemen met waarneming psychoakoestisch effect dat optreedt wnr visuele eig vn natuurlijke spraakprod niet kkkkkovereneenkomen met auditieve aspecten ervan wat men hoort wordt voor groot deel beïnvloed door wat men ziet *Frequentie: bepaalt hoe vlot het woord zal worden verwerkt cohort-model = visuele en aud woordverwerking neuronen gestimuleerd bij begin zintuig input: alle gelijkaardige woorden geactiveerd als bep klankcom horen, brein kiest meest logische betekenis, context en kennis wereld helpen betekenis woorden vaak al herhaal voor volledig uitgesproken was = mentale lexicon reeds geactiveerd
1.3. Neurolinguistiek
- breinprocessen, ontstaan midden 19e^ E, oorspronk: taalafwijkingen
- FMRI:
- waar spelen cognitieve processen af in brein
- hoevelheid zuurstof in bloed bepaalt bloeddoorstroming zuurstof in bloed actieve vvvregios in brein
- Vreemdetaalleren:
- versch talen in versch delen vh brein of in overlappende breinregio’s + verschillen tussen individuen in in opslag
- Wernicke:
- localiseerde taalbegrip (temporale kwab)
- verwerken vn auditieve info + benoemen vn personen, dieren,.. + hipppocampus: opslag nnvn tijdelijke herinneringen
- Schade: sensorische/ receptieve afasie = begripsvermogen verstoord bij luistern, praten kkmaar zinnen kloppen niet
- Broca :
- zone van broca : frontale kwam
- Grammatica en zinsbouw + aanspieren spieren om te praten
- Schade: Broca’s afasie = moeilijk praten, bijna uitsluitend ZN, geen grammregels, andere kkkhersenhelft kan overnemen
- Gevolgen techonologische evoluties:
- neuroplasticiteit: tot hoge leeftijd nieuwe zenuwcellen aanmaken, brein trainen, alzheimer uitstellen Nadeel: Multimediagebruikt zorgt voor achteruitgang brein
1.4. Sociolinguistiek
- taal = sociaal fenomeen
- wederzijdse beinvloeding sociale context en vreemdetaalverwerving
- themas: onderzoek naar; taal en samenleving, taalvariatie, taal en cultuur
Pimsleur Language Aptitude Battery (PLAB, Pimsleur 1966)
Werkgeheugen = tijdelijke opslag en verwerking van informatie die noodzakelijk is voor complexe cognitieve activiteiten ̶ Centrale component in taalaanleg ̶ Capaciteit werkgeheugen verschilt ( working memory span ) ̶ Werkgeheugen: uniek voor de mens? Het element dat menselijke cognitie onderscheidt van dierlijke cognitie?
- cognitieve stijlen en leerstijlen ̶ Cognitieve stijl: manier waarop je info bij voorkeur waarneemt, onthoudt, organiseert en verwerkt continuüm ̶ Leerstijl: binnen een onderwijskundige context ̶ Je leert met elke leerstijl maar je leert beter als de taalleermethode inspeelt op je dominante cognitieve stijl
veldafhankelijkheid/veldonafhankelijkheid ̶ Aandacht voor het geheel vs het detail (waarneming) ̶ Embedded Figures Test : Veld-onafh.: kunnen beter de achtergrondinformatie negeren en de figuur vinden ̶ Culturele verschillen: Amerikanen minder veldafhankelijk dan Aziaten (Ji, Peng & Nisbett 2000) ̶ VO-leerders betere analyse van taalmateriaal meer concentratie bij oefeningen (meer aandacht voor detail) VA-leerders betere communicatieve vaardigheden
- Leerstrategieen ̶ Bewust! handeling of techniek die wordt aangewend om het leerproces beter te laten verlopen ̶ Kan aangeleerd worden (>< leerstijl): nota nemen, schema’s maken, onderstrepen, … discussie of leerstrategieën tot ID variabelen behoren (Dörnyei 2005: ze zijn deel van het leerproces) ̶ Groot gamma gedefinieerd (Weinstein 1987: LASSI vragenlijst, Learning And Study Strategies Inventory) affectieve variabelen: motivatie, attitude, taalangst 2.4. Affectieve variabelen
- Motivatie = Inzet en wil om iets te leren ̶ Sleutel voor taalleersucces ̶ Intrinsieke vs. extrinsieke motivatie ̶ Integratieve vs. instrumentele motivatie
intrinsieke vs extrinsieke motivatie ̶ Intrinsiek: bepaald door de taak die met plezier wordt uitgevoerd ̶ Extrinsiek bepaald door een beloning (goed cijfer, beloning, vermijden van straf, …)
Integratie vs instrumentele motivatie ̶ Integratief: motivatie betreft niet enkel de taak of de taal, maar ook de belangstelling voor de gemeenschap en de culturele identiteit (> intrinsieke motivatie) ̶ Instrumenteel: motivatie komt voort uit een praktische/functionele drijfveer, bvb. slagen voor een test of geselecteerd worden voor een baan
- Attitude = gedrag, de manier waarop je reageert op personen of gebeurtenissen ̶ Veranderlijk, kan aangeleerd of bijgesteld worden ̶ Taalattitudes: (1) Doeltaal (2) Doeltaalsprekers (3) Cultuur van de doeltaal (4) Sociale waarde van het leren van de doeltaal (5) Leersituatie (docent, cursus, …) (6) … Voorbeelden: Tweetalig Canada, Engelstalige leerders met negatieve attitude t.a.v. Franstaligen slechtere prestaties in Franse les (ongeacht taalaanleg)
Attitdue motivation test battery ̶ Gardner (1985)
“socio-educational model” v. vreemdetaalverwerving veel invloed op taalpedagogie leerder-interne verschillen beïnvloeden leerresultaten
- Taalangst ̶ Vreemdetaalangst = “het gevoel van spanning en vrees dat geassocieerd wordt met specifieke aspecten van vreemdetaalverwerving, waaronder spreken, luisteren en leren” (MacIntyre & Gardner 1994: 284) ̶ Verband tussen angst en prestatie: angst als motor om iets te doen (+) falen uit angst, niet durven spreken op examen (-) ̶ Angst belemmert cognitieve functie angstige leerders leren minder (vertonen van irrelevant gedrag: uitstelgedrag, slapeloosheid, black-outs, tobben, …) faalervaring veroorzaakt meer angst (risicovermijding)
̶ Vaak vergeleken met empathie ̶ Permeabiliteit van egogrenzen doet zich voelen in verschillende dimensies van het taalleerproces ̶ Vb. foutloze uitspraak dermate openstaan voor de vreemde taal dat de klanken van de eigen taal worden onderdrukt ̶ Wens om aanzien te worden als evenwaardig lid van de gemeenschap van doeltaalsprekers
Experiment Guiora (1972) ̶ Heeft een verlaging van de egogrenzen een effect op uitspraakvaardigheid? ̶ Proefpersonen kregen alcohol en valium toegediend ̶ Alcohol leidde tot betere uitspraak, valium niet
2.15. tolerantie voor ambiguiteit = gemak waarmee mensen omgaan met een ambigue situatie ̶ Ambiguïteit manifesteert zich in drie vormen: (1) nieuwigheid, (2) complexiteit, (3) onoplosbaarheid vreemde taal is nieuw, complex en vaak is er geen eenduidige oplossing voor een talig probleem
Onderzoek: correlatie tussen toleranrtie voor ambiguiteit en luistervaardigeheid 2.16. Illustratie: marshmallow test ̶ Walter Mischel, jaren ‘ ̶ Experiment met jonge kinderen, nagaan of ze vervulling kunnen uitstellen ̶ Marshmallow meteen opeten of kwartier wachten en een tweede krijgen ̶ Resultaat: hoe jonger de kinderen, hoe moeilijker om aan de verleiding te weerstaan 2.17. lange termijn resultaten ̶ Peuters werden 14j later opgespoord ̶ Opmerkelijke verschillen ̶ “instant gratificators”: gevoelig voor stress, minder zelfvertrouwen, jaloerser, grotere twijfelaars ̶ “delayed gratificators”: stressbestendiger, betere omgang met frustraties, beter in staat om uitdagingen tot een goed einde te brengen ̶ Studieresultaten: delayed gratificators >instant gratificators ̶ Jobtevredenheid: delayed gratificators >instant gratificators ̶ Marshmallow test twee keer krachtiger dan de IQ test als voorspeller van academisch succes Conclusie ̶ Literatuur over leerder-interne verschillen toont uiteenlopende bevindingen ̶ Er worden nieuwe dimensies voorgesteld ten gevolge van maatschappelijke evoluties (globalisering) ̶ ID-variabelen oefenen belangrijke invloed uit op verschillende aspecten van het taalleerproces
WOORDENSCHATVERWERVING IN VREEMDE TAAL
̶ Verleden: vooral onderzoek naar structurele dimensie van taal ̶ Vandaag: veel aandacht voor het lexicon 40000 woorden aan einde middelbare school, 2000-3000 woorden per dag
1. in L1: leren door: luisteren, lezen, spreken, schrijven INPUT (=de taal waar je aan blootgesteld wordt) OUTPUT (=de taal die je zelf communiceert)
- verschil tussen woorden leren in L1 en L2: Je krijgt minder input Je zit in een andere leercontext (vaak formeel) Je hebt minder mogelijkheden voor output
Je bent (doel)bewuster met het leerproces bezig Je kent al veel betekenissen in je L1, je moet er vaak enkel nieuwe L2 woorden op plakken
- Woord = een vorm (=klank/spelling) die verwijst naar een betekenis
- Mentaal lexicon = totaal aan woorden die opgelsagen zijjn in je lange termijn geheugen
- Je kent een woord helemaal als je weet: hoe het klinkt, hoe je het spelt, welke grammaticale rol het vervult, in welke context je het kan gebruiken, hoe je het uitspreekt, met welke andere woorden je het kan combineren, in welke uitdrukkingen je het kan gebruiken, wat de verschillende betekenissen zijn
Maar gelukkig... hoef je in het begin enkel de connectie tussen de betekenis en de vorm van een woord te kennen = het vorm-betekenis verband
Het is moeilijker om woorden productief te kennen, m.a.w. van betekenis (L1) naar vorm (L2) dan om ze receptief te kennen, m.a.w. van vorm (L2) naar betekenis (L1).
**2. Hoe leer je woorden in een L
- Incidentele** woordenschatverwerving:
= hoofddoel niet het aanleren van woordenschat, maar het overbrengen van informatie (zoals in de L1) bijvoorbeeld: door te lezen, televisie te kijken, liedjes te beluisteren, in de L2 pik je woordenschat ‘vanzelf’ op
voordelen nadelen Efficient? Natuurlijk en moeiteloos Niet snel genoeg: je moet een woord tusssen (5-16) keer horen of zien voor je het onthoudt
Biedt de input wel genoeg diversiteit aan woorden? Kunnen we woorden altijd goed afleiden uit de context
Bvb. Het woord lijkt op ... Het woord rijmt met ... Het woord is lang/Kort … Het woord heeft veel klinkers of medeklinkers Groepeer woorden in een lijst volgens eerste letter, aantal lettergrepen, etc...
2. Leren in het geheugen Tijd = vergeetcurve van Ebbinghaus (=Pionier modern geheugenonderzoek (19 de eeuw)) ̶ Experimenten: onthouden lange lijsten letters of woorden ̶ Attritie uitgezet in tijd: na een uur 50% van de info verloren, na een dag nog eens 10% verloren, na een week …, … ̶ Afname zeer groot in begin, nadien stabilisatie ̶ Verlies = groot probleem voor elk leerproces Opl = Kracht van herhaling - Pimsleur (1967): meest effectieve moment van herhaling is als kans op herinnering nog 60%
- Het principe van de Gespreide Herhaling : als bij herhaling de informatie goed herinnerd wordt, mag interval naar volgende herhaling vergroten
Interferentie = Opslag van nieuwe informatie verstoort de consolidatie van oude informatie (vooral bij gelijkenis/overlap) Experiment: één woordenlijst leren versus twee woordenlijsten leren tweede woordenlijst verstoorde opslag van eerste woordenlijst
IDIOMATICITEIT
- Natuurlijk taalgebruik - Moedertaalgebruikers (en gevorderde taalleerders) hebben een groot repertoire aan **vaste uitdrukkingen die in het geheugen klaar liggen voor gebruik.
- Idiom Principle** Niet via Taalbeheersing (= beheersing van grammaticaregels + beheersing van woorden) Dankzij alle corposstudies: elke taal bestaat uit **meerwaardcombinaties :
- Uitroepen** (bv. Hoe schattig!; Dat meen je niet!;…)
- Functies (bv. het spijt me; mijn innige deelneming; hartelijk dank; gelieve te…;… )
- Collocaties (bv. bos bloemen; een verhaal vertellen; oorlog voeren; de was doen; een rol spelen; betrouwbare bron; maatregelen treffen ;… )
- Idiomatische uitdrukkingen (bv. in vliegende vaart; wind in de zeilen hebben; niet goed wijs zijn; de spits afbijten… )
- Spreekwoorden (bv. een vogel in de hand is beter dan tien in de lucht; na regen komt zonneschijn;…)
Uitdaging voor de vreemdetaalleerder:
- Meer dan 50% van natuurlijk taalgebruik bestaat uit frases (Erman and Warren 2000). -De blootstelling van vreemdetaalleerders aan de doeltaal is kleiner dan bij moedertaalsprekers.
2. Taaldidactiek Michael Lewis: the lexical approach - kennis van woordgroepen = centrale spil vreemdetaalleerproces - het verwerken en genereren van frases als niet-geanalyseerde gehelen of “chunks” = “chunk-noticing” - grote hoeveelheden authentieke taalinputaanbieden ter bevordering van de ontwikkeling vh fraseologisch lexicon
Waarom effectief?
- “holistic retrieval” minder analytisch vermogen nodig vlotte taalproductie “under real-time conditions” (Skehan 1998) (= als één geheel oproepen)
- Sinclairs “Idiom Principle” beheersing idiomatische dimensie van de natuurlijke taal lexicale bereik en natuurlijke karakter neemt toe
- foutenlast neemt af “ chunks ” vormen veiligheidszones binnen taalproductie Experiment RQ: Of taalleerders die een fraseologische leermethode genoten (1) de indruk geven vlottere taalgebruikers te zijn? (2) hoger worden ingeschat wat lexicaal en idiomatisch bereik betreft? (3) een hogere score toebedeeld krijgen inzake correctheid? Opzet: _- Participanten: 32 studenten Engels; tweede jaar Vertaal-en tolkenopleiding; uitgebreide kennis
- 22 lesuren; vier vaardigheden, maar 65% blootstelling aan authentieke taal (veel input)
- 2 groepen, zelfde leerkracht, zelfde lesmateriaal
- Variabele: fraseologische benadering_ Ingeschatte mondelinge taalvaardigheid: Intersubjectiviteit = de mate waarin verschillende beoordelaars het eens zijn over de mondelinge taalvaardigheid van de studenten Methode Post-test: interview scores toegekend door twee “blind judges” beoordelaar A: interviewer globale score beoordelaar B: opnames globale score + scores voor vlotheid, lexicaal bereik en correctheid. Resultaten Globale taalvaardigheidsscores daalden, scores a +_ = scores b = maat van intersubjectieve overeenstemming bij b: Vlotheid: Exp. > Contr. p <. Lexicaal bereik: Exp. > Contr. p <. Correctheid: Exp. > Contr., maar p >.
Hoger ingeschatte prestatie dankzij gebruik woordgroepen? Methodologisch probleem: wat is een woordgroep/frase? Intersubjectiviteit: twee nieuwe “blind judges” (X and Y) (=2 nieuwe beoordeelders
Fase 1: besef van de origine en associatie van verbale info met mentaal beeld Doel: dual coding Fase 2: de figuurlijke betekenis achterhalen op basis van de origine Doel: deep processing Fase 3: produceren van het idioom Doel: consolideren van de nieuwe informatie
van onderwijstoepassing naar onderzoekstool ondertussen talrijke call-experimenten inzicht in het taalleerproces
Idiom teacher as onderzoekstool Onderzoeksvragen:
- Is deze volgorde van de drie fasen de meest optimale?
- Voor welke uitdrukkingen werkt de methode het best?
- Welke leerders halen de grootste baten uit de “dual coding”-strategie? (m.a.w. Wat is de impact van individuele variabelen?)
- Werkt de methode even goed met leerders van verschillende taalniveaus? (beginners vs gevorderden)
Controlegroep: Experimentele groep:
- Betekenis MK 1) Origine MK
- Origine MK 2) Betekenis MK
- Invuloef 3) Invuloef 72% 81% ( p < .01) Conclusie Online applicaties kunnen niet enkel zeer nuttig zijn voor vreemdetaalverwerving, ze maken ook onderzoeksdesigns mogelijk die tot nieuwe inzichten leiden in de vreemdetalendidactiek
H2: ONDERZOEKSMETHODEN
Empirisch onderzoek = de werkelijkheid betreffend vertrekt vanuit waarneming
1. Problemen bij waarneming
-je kan niet alle gevallen waarnemn wie/wat observeren : populatie = verzamelen vn alle objecten/elementen waarop onderzoek zich richt representatieve steekproef = deel vd populatie
- Je kan niet alle kenmerken waarnemen welke factoren onderzoeken afbakening onderzoeksobject meetbaar maken variabele = eenduidig meetbaar kenmerk waarop een pp een bepaalde score aanneemt
2. Empirische cyclus
4 stadia:
- Bepalen van onderzoeksvraag: geformuleerd als hypothese (voorspelling bevestigen of ontkrachten 2). Dataverzameling : moet aansluiten bij onderzoeksvraag (testen, bevragen, observeren, scannen)
- Data-analyse = meerdere technieken mogelijk. Bij cijfergegevens: statistiek
- Interpretatie: obv gegevens een antwoord formuleren op onderzoeksvraag gedeeltelijke antwoorden nieuwe vragen cyclus wordt terug opgestart
Onderzoek = ungoing process
3. Rol van statistiek
-basiskennis vn algemeen statistische principes onontbeerlijk voor elke student die om het even welke hogere opleiding wil vervolmaken
- feiten uit werkelijkheid kwantitatief uitdrukken zonder ze daarbij te vervormen
4. Uitspraken in media
“linkshandigen zijn slimmer dan rechtshandigen” Dergeljke stelling stavind door harde cijfers anders: meningen Om feit te steaven is een vorm vn cijfermatig handelen nodig: statistiek
5. Descriptieve statistiek
-beschrijving vn een fenomeen zonder uitspraken te doen over de veralgemening hiervan uiten onderzochte taal
- reikwijdte, distributie, gemiddelde, standaardafwijking