Docsity
Docsity

Prepara tus exámenes
Prepara tus exámenes

Prepara tus exámenes y mejora tus resultados gracias a la gran cantidad de recursos disponibles en Docsity


Consigue puntos base para descargar
Consigue puntos base para descargar

Gana puntos ayudando a otros estudiantes o consíguelos activando un Plan Premium


Orientación Universidad
Orientación Universidad


VERBOS IRREGULARES, Apuntes de Idiomas

Asignatura: Idioma Moderno I (Neerlandés - Holandés), Profesor: Sanchez Romero, Manuel, Carrera: Estudios Ingleses, Universidad: US

Tipo: Apuntes

2011/2012

Subido el 06/11/2012

tulipancita
tulipancita 🇪🇸

4.1

(37)

7 documentos

1 / 7

Toggle sidebar

Esta página no es visible en la vista previa

¡No te pierdas las partes importantes!

bg1
VERBOS IRREGULARES
Infinitivo Pasado singular Pasado plural Pasado participio Español
bakken bakte bakten gebakken freir
bannen bande banden gebannen prohibir
barsten barstte barstten gebarsten reventar, estallar
bederven bedierf bedierven bedorven pudrirse,
descomponerse
bedriegen bedroog bedrogen bedrogen engañar
beginnen begon begonnen begonnen* empezar
behangen behangde behangden behangen empapelar
benijden beneed beneden beneden envidiar
bergen borg borgen geborgen almacenar,
recuperar
bevelen beval bevalen bevolen ordenar, dar una
orden
bezwijken bezweek bezweken bezweken* sucumbir,
derrumbarse
bidden bad baden gebeden rezar
bieden bood boden geboden ofrecer
bijten beet beten gebeten morder
binden bond bonden gebonden atar
blazen blies bliezen geblazen soplar
blijken bleek bleken gebleken* parecer, ser
evidente
blijven bleef bleven gebleven quedarse,
permanecer,
guardar
blinken blonk blonken geblonken brillar
braden braadde braadden gebraden asar
breken brak braken gebroken romper
brengen bracht brachten gebracht traer
brouwen brouwde brouwden gebrouwen hacer (cerveza,
te...)
buigen boog bogen gebogen doblar
D
denken dacht dachten gedacht pensar
dingen naar dong naar dongen naar gedongen naar apostar, competir
por
dragen droeg droegen gedragen llevar, soportar
drijven dreef dreven gedreven conducir, flotar
dringen drong drongen gedrongen empujar
drinken dronk dronken gedronken beber
druipen droop dropen gedropen gotear
duiken dook doken gedoken sumergirse, bucear
dwingen dwong dwongen gedwongen forzar
E
eten at aten gegeten comer
F
fluiten floot floten gefloten silvar, tocar la
flauta
pf3
pf4
pf5

Vista previa parcial del texto

¡Descarga VERBOS IRREGULARES y más Apuntes en PDF de Idiomas solo en Docsity!

VERBOS IRREGULARES

Infinitivo Pasado singular Pasado plural Pasado participio Español bakken bakte bakten gebakken freir bannen bande banden gebannen prohibir barsten barstte barstten gebarsten reventar, estallar bederven bedierf bedierven bedorven pudrirse, descomponerse bedriegen bedroog bedrogen bedrogen engañar beginnen begon begonnen begonnen* empezar behangen behangde behangden behangen empapelar benijden beneed beneden beneden envidiar bergen borg borgen geborgen almacenar, recuperar bevelen beval bevalen bevolen ordenar, dar una orden bezwijken bezweek bezweken bezweken* sucumbir, derrumbarse bidden bad baden gebeden rezar bieden bood boden geboden ofrecer bijten beet beten gebeten morder binden bond bonden gebonden atar blazen blies bliezen geblazen soplar blijken bleek bleken gebleken* parecer, ser evidente blijven bleef bleven gebleven quedarse, permanecer, guardar blinken blonk blonken geblonken brillar braden braadde braadden gebraden asar breken brak braken gebroken romper brengen bracht brachten gebracht traer brouwen brouwde brouwden gebrouwen hacer (cerveza, te...) buigen boog bogen gebogen doblar

D

denken dacht dachten gedacht pensar dingen naar dong naar dongen naar gedongen naar apostar, competir por dragen droeg droegen gedragen llevar, soportar drijven dreef dreven gedreven conducir, flotar dringen drong drongen gedrongen empujar drinken dronk dronken gedronken beber druipen droop dropen gedropen gotear duiken dook doken gedoken sumergirse, bucear dwingen dwong dwongen gedwongen forzar

E

eten at aten gegeten comer

F

fluiten floot floten gefloten silvar, tocar la flauta

G

gelden gold golden gegolden ser válido genezen genas genazen genezen curar, sanar genieten genoot genoten genoten disfrutar geven gaf gaven gegeven dar gieten goot goten gegoten verter, echar glijden gleed gleden gegleden deslizarse, planear (avión) glimmen glom glommen geglommen brillar graven groef groeven gegraven cavar grijpen greep grepen gegrepen agarrar

H

hangen hing hingen gehangen colgar heffen hief hieven geheven levantar (algo) helpen hielp hielpen geholpen ayudar heten heette heetten geheten llamarse hijsen hees hesen gehesen alzar, izar hoeven hoefde hoefden gehoeven ser necesario houden hield hielden gehouden sujetar, aguantar houwen houwde houwden gehouwen tallar

J

jagen joeg joegen gejaagd cazar

K

kiezen koos kozen gekozen elegir kijken keek keken gekeken mirar klimmen klom klommen geklommen escalar, trepar klinken klonk klonken geklonken sonar kluiven kloof kloven gekloven mordisquear knijpen kneep knepen geknepen pellizcar kopen kocht kochten gekocht comprar krijgen kreeg kregen gekregen conseguir krimpen kromp krompen gekrompen* encoger kruipen kroop kropen gekropen arrastrarse, gatear zich kwijten van kweet zich van kweten zich van zich gekweten van desenvolverse

L

lachen lachte lachten gelachen reir, sonreir laden laadde laadden geladen cargar laten liet lieten gelaten permitir, dejar lezen las lazen gelezen leer liegen loog logen gelogen mentir liggen lag lagen gelegen tumbarse, yacer lijden leed leden geleden sufrir lijken leek leken geleken parecer, recordar a lopen liep liepen gelopen caminar, pasear

M

malen maalde maalden gemalen moler, triturar, picar melken molk molken gemolken ordeñar

snijden sneed sneden gesneden cortar snuiten snoot snoten gesnoten sonarse, esnifar snuiven snoof snoven gesnoven olfatear, esnifar spannen spande spanden gespannen forzar, tensar spijten speet speten gespeten arrepentirse spinnen spon sponnen gesponnen dar vueltas, hacer girar splijten spleet spleten gespleten partir(se), separar (se) spreken sprak spraken gesproken hablar springen sprong sprongen gesprongen saltar spruiten sproot sproten gesproten brotar, surgir spuiten spoot spoten gespoten arrojar, salir a chorros steken stak staken gestoken pinchar, picar (abeja) stelen stal stalen gestolen robar sterven stierf stierven gestorven morir stijgen steeg stegen gestegen aumentar, crecer stijven steef steven gesteven almidonar stinken stonk stonken gestonken apestar stoten stootte stootten gestoten empujar strijden streed streden gestreden luchar, pelear strijken streek streken gestreken planchar, alisar stuiven stoof stoven gestoven arremolinar, pasar como una exhalación

T

treden trad traden getreden pisar, dar un paso treffen trof troffen getroffen marcar (puntos, gol) trekken trok trokken getrokken estirar, extraer, viajar

V

vallen viel vielen gevallen caer vangen ving vingen gevangen coger varen voer voeren gevaren navegar vechten vocht vochten gevochten pelear verdrieten verdroot verdroten verdroten sufrir, lamentar una pérdida verdwijnen verdween verdwenen verdwenen desaparecer vergeten vergat vergaten vergeten olvidar verliezen verloor verloren verloren perder vinden vond vonden gevonden encontrar vlechten vlocht vlochten gevlochten trenzar vliegen vloog vlogen gevlogen volar vouwen vouwde vouwden gevouwen doblar vragen vroeg vroegen gevraagd preguntar, pedir vreten vrat vraten gevreten comer, devorer vriezen vroor vroren gevroren congelar(se) vrijen vree / vrijde vreeën / vrijden gevreeën / gevrijd hacer el amor

W

wassen waste wasten gewassen lavar wegen woog wogen gewogen pesar werpen wierp wierpen geworpen lanzar werven wierf wierven geworven reclutar weten wist wisten geweten saber weven weefde weefden geweven tejar, entrelazar wijken week weken geweken evitar, esquivar wijten weet weten geweten culpar wijzen wees wezen gewezen señalar winden wond wonden gewonden enrollar, envolver winnen won wonnen gewonnen ganar worden werd werden geworden llegar a ser, convertirse en wrijven wreef wreven gewreven frotar wringen wrong wrongen gewrongen escurrir, estrujar

Z

zeggen zei zeiden gezegd decir zenden zond zonden gezonden enviar (neer)zijgen zeeg neer zegen neer neergezegen hundirse, arrellanarse zingen zong zongen gezongen cantar zinken zonk zonken gezonken* hundir(se) zinnen zon zonnen gezonnen reflexionar zitten zat zaten gezeten sentar(se) zoeken zocht zochten gezocht buscar zuigen zoog zogen gezogen chupar zuipen zoop zopen gezopen empinar el codo zwelgen zwolg zwolgen gezwolgen deleitarse, regocijarse zwellen zwol zwollen gezwollen* hinchar(se) zwemmen zwom zwommen gezwommen nadar zweren zwoer zwoeren gezworen jurar zwerven zwierf zwierven gezworven deambular, caminar sin rumbo zwijgen zweeg zwegen gezwegen estar en silencio

ZIJN HEBBEN

Ik ben was geweest heb had gehad

Jij bent was hebt had

Hij/ze is was heeft had

Wij zijn waren hebben hadden

Jullie zijn waren hebben hadden

Ze zijn waren hebben hadden

ZULLEN KUNNEN

Hij/ze staat stond komt kwam

Wij staan stonden komen kwamen

Jullie staan stonden komen kwamen

Ze staan stonden komen kwamen

Ontstaan (evolucionar) bekomen (recuperar)

Bestaan (existir) ontkomen (escapar)

Verstaan (entender) overkomen (ocurrir)

Misstaan (no encajar) aankomen (llegar/ engordar)

MOGEN

Ik mag mocht gemogen

Jij mag mocht

Hij/ze mag mocht

Wij mogen mochten

Jullie mogen mochten

Ze mogen mochten