‘De lezer moet het zelf maar bepalen.’ | Universiteit Utrecht, Thesis of Literature

Masterscriptie van de Universiteit Utrecht op het thema: ‘De lezer moet het zelf maar bepalen.’ Onderzoek naar het werk en de zelfrepresentatie van A.H.J. Dautzenberg

Typology: Thesis

2020/2021

Uploaded on 05/10/2021

Nelk_e
Nelk_e 🇳🇱

3.8

(6)

93 documents

1 / 56

Toggle sidebar

This page cannot be seen from the preview

Don't miss anything!

bg1
‘De lezer moet het zelf maar bepalen.’
Onderzoek naar het werk en de zelfrepresentatie van A.H.J. Dautzenberg
Masterscriptie Literatuur en cultuurkritiek
Universiteit Utrecht
26 juni 2015
Naam Roelke Aalderink
Studentnummer 4132467
Begeleider dr. Laurens Ham
pf3
pf4
pf5
pf8
pf9
pfa
pfd
pfe
pff
pf12
pf13
pf14
pf15
pf16
pf17
pf18
pf19
pf1a
pf1b
pf1c
pf1d
pf1e
pf1f
pf20
pf21
pf22
pf23
pf24
pf25
pf26
pf27
pf28
pf29
pf2a
pf2b
pf2c
pf2d
pf2e
pf2f
pf30
pf31
pf32
pf33
pf34
pf35
pf36
pf37
pf38

Partial preview of the text

Download ‘De lezer moet het zelf maar bepalen.’ | Universiteit Utrecht and more Thesis Literature in PDF only on Docsity!

‘De lezer moet het zelf maar bepalen.’

Onderzoek naar het werk en de zelfrepresentatie van A.H.J. Dautzenberg

Masterscriptie Literatuur en cultuurkritiek Universiteit Utrecht 26 juni 2015

Naam Roelke Aalderink Studentnummer 4132467 Begeleider dr. Laurens Ham

Inhoudsopgave

  • Samenvatting
    1. Inleiding
    1. Theorie en methode
    • 2.1 Tussen autobiografie en roman
    • 2.2 Het probleem van fictie en werkelijkheid
    • 2.3 Authenticiteit
    • 2.4 Methode
    1. Analyse
      • 3.1 Samaritaan
      • 3.2 De (deels) verzonnen interviews
      • 3.3 De receptie van Samaritaan
      • 3.4 ‘De ja-nee-donatie van een nier’
      • 3.5 Extra tijd
      • 3.6 De receptie van Extra tijd
      • 3.7 De Fictiefabriek
      • 3.8 Fictionaliteit gethematiseerd
    1. Conclusie
  • Geraadpleegde literatuur

onze samenleving.’^4 In datzelfde jaar zaaide Dautzenberg verwarring omtrent het verhaal van de autobiografische roman Samaritaan. Doneerde hij echt een nier aan een onbekende? Het zijn drie voorbeelden van manieren waarop Dautzenberg ophef veroorzaakt. In mijn onderzoek analyseer ik primaire werken van Dautzenberg, maar richt ik mij ook op de zelfrepresentatie van de schrijver en de receptie van zijn werk. In de paragrafen 2.1 tot en met 2.4, het theoretische kader van deze scriptie, verantwoord ik dat de schrijver zowel binnen als buiten zijn werk invloed uitoefent op de manier waarop de lezer een verhaal interpreteert. De analyse beslaat het gehele derde hoofdstuk. Tot slot tracht ik in het vierde en laatste hoofdstuk de zojuist geformuleerde onderzoeksvraag te beantwoorden.

(^4) Dautzenberg, A.H.J. A.H.J. Dautzenberg wordt lid van Martijn. Site A.H.J. Dautzenberg, 20 juli 2011. Web. .

2 Theorie en methode

2.1 Tussen autobiografie en roman

In 1975 publiceerde Philippe Lejeune Le pacte autobiographique. Hierin probeerde hij vast te stellen hoe de autobiografie zich onderscheidt van de roman. Volgens Edwin Praat plaatst Lejeune met zijn pact autobiografique ‘de autobiografie in de categorie ‘werkelijkheid’ en daarmee in oppositie tot fictie.’^5 Lejeune stelde in Le pacte autobiographique niet de structuur of inhoud van de tekst centraal, maar de relatie tussen verteller en auteur. Kenmerkend voor een autobiografie is volgens Lejeune dat verteller en auteur identiek aan elkaar zijn. Voor de lezer moet het duidelijk zijn dat de auteur gelijkgesteld kan worden aan de autobiografische verteller én het hoofdpersonage.^6 Lejeune stelt dat er bij een autobiografie sprake is van een autobiografische pact, een overeenkomst tussen de lezer en de schrijver, waarin zij afspreken dat verteller en auteur dezelfde persoon zijn en dat de ‘waarheid’ wordt verteld.^7 Lut Missinne problematiseert Lejeunes autobiografische pact in haar boek Oprecht gelogen (2013). Ze argumenteert dat ‘pact’ een misleidende term is, aangezien hiermee wordt gesteld dat de lezer er automatisch mee instemt dat de tekst een autobiografie is, wanneer de identiteit tussen auteur, personage en verteller door de auteur wordt gesuggereerd. De lezer hoeft volgens Missinne echter helemaal niet met het pact in te stemmen. ‘Als de lezer zijn eigen weg inslaat, het boek anders leest en interpreteert en daardoor de tekst op oncontroleerbare manier wijzigt ten overstaan van wat de auteur heeft bedoeld, dan is er geen pact.’^8 De lezer kan volgens Missinne een tekst die autobiografisch bedoeld is, als fictief lezen. Andersom kan de lezer ook in een fictieve tekst op zoek gaan naar aanwijzingen dat auteur en verteller één en dezelfde persoon zijn. Zij beschouwt het autobiografische pact daarom liever als een ‘leesoptie’^9. Daarnaast is het onderscheid tussen roman en autobiografie minder zwart-wit is dan Lejeune doet voorkomen. Missinne maakt in Oprecht gelogen een onderscheid tussen verschillende vormen van autobiografisch schrijven, waaronder ook mengvormen tussen roman en autobiografie, zoals de autobiografische roman en autofictie. De autobiografische roman wordt door Missinne beschreven als ‘een roman waarin de lezer gebeurtenissen, ervaringen en feiten herkent of meent te herkennen als overeenstemmend met elementen uit de biografie van de auteur, waardoor hij de roman ‘autobiografisch leest’.’ Autofictie wordt gebruikt als aanduiding voor teksten waarin de autobiografische verteller zowel feitelijke als fictionele

(^5) Praat 2014, 264. (^6) Missinne 2013, 31. (^7) Missinne, L. “De authenticiteit van de leugen.” De Revisor 2006: p36-42. Web, DBNL. (^8) Missinne 2013, 26. (^9) Idem, 32.

Samaritaan schrijft Missinne: ‘Door het hele optreden van de auteur twijfelden lezers aan de ‘echtheid’ van zijn autobiografische roman, Samaritaan .’^18 Boeken waarin fictie en werkelijkheid door elkaar lopen, zoals in het werk van Dautzenberg het geval is, roepen vragen op bij lezers, critici en theoretici. Kan en moet de lezer de auteur wel of niet gelijkstellen met de verteller of een personage uit het verhaal? Is het verhaal waargebeurd? Hoe oprecht en authentiek is de auteur? Is de schrijver ironisch? Over dit fictionaliteits- en authenticiteitsprobleem is recentelijk veel geschreven door literatuurtheoretici. Zo verscheen in 2014 Edwin Praats boek Verrek, het is geen kunstenaar , waarin hij onderzoek doet naar het schrijverschap van Gerard Reve, in wiens werk werkelijkheid en fictie geregeld door elkaar lopen. Ook het eerder genoemde artikel van Lieselot de Taeye is een goed voorbeeld. Zij onderzoekt documentaire trends in de Nederlandse literatuur en besteedt daarbij veel aandacht aan de manier waarop documentaire elementen kunnen bijdragen aan de geloofwaardigheid van een autofictioneel verhaal.^19 Ook in Missinnes boek Oprecht gelogen staan romans centraal die zich op de grens tussen fictie en werkelijkheid begeven. In haar onderzoek bekijkt Missinne welke retorische strategieën zijn in gezet in de romans die zij behandelt, om vervolgens vast te kunnen stellen welk effect deze strategieën hebben op de lezer. Door dit te analyseren wil Missinne laten zien welke kenmerken ervoor kunnen zorgen dat een roman als autobiografisch gelezen wordt.^20 Het probleem van fictie en werkelijkheid wordt door literatuurtheoretici vanuit verschillende theoretische posities benaderd. In het boek Ethos and Narrative Interpretation (2014) laat Korthals Altes zien dat er niet zoiets bestaat als de perfecte methode om narratieve werken te analyseren. In plaats daarvan laat zij dwarsverbanden zien tussen de verschillende literatuurtheoretische posities die door literatuurtheoretici kunnen worden ingenomen. Korthals Altes richt in haar boek eveneens op het probleem van fictionaliteit en authenticiteit en zet daarvoor de term ‘ethos’ in. Het centrale uitgangspunt van Korthals Altes is dat lezers bij het lezen van een tekst te maken hebben met bepaalde frames die bepalend zijn voor de leeswijze en de interpretatie van de tekst. Ze argumenteert dat ‘ethos’ niet alleen een retorisch overtuigingsmiddel is, maar ook iets dat door de lezer kan worden toegekend aan de auteur, de verteller of een personage. Ze laat zien dat het toeschrijven van ‘ethos’ een manier van framing is.^21 De interpretatie van een verhaal wordt volgens Korthals Altes enerzijds gestuurd door de manier waarop de schrijver tekstuele kenmerken inzet, en anderzijds door de lezer. Hij of zij bepaalt uiteindelijk zelf of een tekst authentiek of oprecht is.

(^18) Missinne 2013, 24. (^19) De Taeye 2015. (^20) Missinne 2013, 11. (^21) Korthals Altes 2014, 53.

Om het begrip ‘ethos’ te duiden, verwijst Korthals Altes naar de Oudgriekse definiëring van het woord. Ze schrijft: ‘In ancient Greek, ethos referred to a person’s or community’s character or characterizing spirit, tone, or attitude.’^22 Aristoteles maakte een onderscheid tussen drie retorische overtuigingsmiddelen: ethos, pathos en logos. Ethos richt zich specifiek op het construeren van een betrouwbaar beeld van de spreker.^23 G.J. van Bork definieert ethos als volgt:

Term uit de retorica waarmee de betrouwbaarheid, morele integriteit en competentie van de redenaar worden bedoeld. De term ethos wordt daarnaast ook gebruikt voor de gemoedsgesteldheid van de spreker […]. Ethos bestaat er dan in, dat de spreker/schrijver bij zijn publiek gunstige gevoelens wil opwekken voor zijn zaak.^24

Pathos doet een beroep op de emoties van de lezer. Door bepaalde stijlmiddelen in de tekst in te zetten, kan de schrijver emoties oproepen bij de lezer. Bij het derde overtuigingsmiddel, logos, presenteert de schrijver rationele argumenten in zijn tekst om de lezer te overtuigen. Logos draait dus om de logische redenering.^25 Er is vaak sprake van een onderlinge wisselwerking tussen deze drie retorische strategieën. Pathos, logos en ethos worden door de spreker of schrijver ingezet om een gevoel van vertrouwen en autoriteit teweeg te kunnen brengen bij het publiek of de lezer. Volgens Missinne zijn het dit soort retorische overtuigingsmiddelen die de lectuur van de lezer sturen. Het gaat om retorische strategieën die door de auteur worden ingezet om de lezer ervan te overtuigen dat het gepresenteerde verhaal echt gebeurd is: ‘Of het dan ook zo is of niet, doet nauwelijks ter zake. […] het gaat hier niet om referentiële ‘echtheid’ of ‘waarheid’ maar om authenticiteit als retorisch effect, het gaat om de overtuigingskracht van de tekst.’^26 De methode van De Taeye sluit aan op het uitgangspunt van Missinne. Zij beschouwt het referentiële als een ‘aanname’. ‘[…] pas als iemand op een geloofwaardige manier weet aan te tonen dat de zaken die waargebeurd lijken manifest niet correct zijn, dan wordt de non-fictionele status van de tekst als ongeldig beschouwd.’^27 Het gaat dus om het effect dat het echtheidssignaal op de lezer heeft. Met dit concept als basis, onderzoekt De Taeye in haar artikel hoe documentaire technieken worden

(^22) Korthals Altes 2014, 17. (^23) Idem, 37. (^24) Bork, G.J. van, et al. Algemeen Letterkundig Lexicon. 2 e (^) versie. DBNL, 2014. Web. http://www.dbnl.org/tekst/dela012alge01_01/dela012alge01_01_00520.php (^25) Idem. (^26) Missinne 2013, 131. (^27) De Taeye 2015, 4.

gediscussieerd kan worden omdat zij argumenten geeft.^35 Missinne argumenteert dat de schrijver degene is die het spel met fictie en werkelijkheid leidt, maar dat dit niet hoeft te betekenen dat de lezer ook automatisch volgt. Elke lezer interpreteert de tekst op eigen wijze. Volgens Missinne heeft de lezer in het ‘hybride autobiografisch genre’ het laatste woord, maar wordt hij of zij gestuurd door de tekst zelf, of bijvoorbeeld de publiciteit van de uitgever en uitspraken van de schrijver.^36 Ideeën die de lezer heeft over een auteur, verteller of personage zijn volgens Korthals Altes niet alleen het resultaat van de tekstuele interpretatie van de lezer. Zij oefenen ook voor, tijdens en na het leesproces al invloed uit.^37 Volgens Korthals Altes vormen lezers bijvoorbeeld bewust of onbewust een beeld van het ethos van de schrijver, waardoor ze beter instaat zijn om de toon van de schrijver te vangen.^38 Korthals Altes wijst erop dat een belangrijke rol is weggelegd voor het prior ethos , een begrip dat oorspronkelijk afkomstig is van de Romeinse redenaar, politicus en filosoof Cicero.^39 Het prior ethos is het beeld dat de lezer al eerder heeft gevormd van de schrijver, bijvoorbeeld door diens reputatie, mediaoptreden, of door bepaalde acties van de schrijver in de publieke ruimte. Volgens Korthals Altes ligt het vandaag de dag voor de hand dat de lezer voor het lezen van het boek al een bepaald beeld van de schrijver heeft gecreëerd, aangezien wij leven in een gemedialiseerde samenleving.^40 Niet alleen deze voorkennis, de prior ethos, kleurt de lectuur van de lezer volgens Korthals, ook tijdens het lezen kunnen ideeën over oprechtheid, betrouwbaarheid, autoriteit en ironie invloed uitoefenen. Een ander type ethos dat Korthals onderscheidt is de posteriori counterpart. Hierover schrijft ze: ‘as readers may be confronted with manifestations of the author after their reading experience, which may lead them to reconsider their interpretation and, in particular, the way in which they constructed the authorial image and ethos.’^41 Het auteursethos kan dus ook achteraf nog door de lezer worden bijgesteld. Een verschil tussen de aanpak van Missinne en Korthals Altes is dat Missinne richt zich in haar onderzoek voornamelijk richt op de invloed van bepaalde tekstuele elementen op de lezer. In haar analyse staan de vertelsituatie, structuur en stijl van de tekst centraal. Korthals Altes wijst erop dat ook bijvoorbeeld de (zelf)representatie van de schrijver in de media kan functioneren als frame. Dit is erg relevant voor mijn onderzoek, aangezien Dautzenberg het spel met fictie en werkelijkheid buiten zijn werk voortzet. In een interview in The Post Online

(^35) Korthals Altes 2014, 10. (^36) Missinne 2013, 24. (^37) Korthals Altes 2014, 10. (^38) Idem, 46. (^39) Idem, 41. (^40) Idem. (^41) Idem, 42.

Magazine zegt de schrijver over zijn werk: ‘Laat ik het zo zeggen: ik schrijf niet alleen binnen de kaften van mijn boek, ik schrijf er ook buiten. Voor mij is het allemaal één.’^42 Daarom acht ik het van belang mij ook te richten op de zelfrepresentatie van de schrijver en de receptie van zijn werk. Dit doe ik, zoals ik verder toelicht in mijn methodologisch kader, aan de hand van Edwin Praats cultuursociologische onderzoek naar het auteurschap van Gerard Reve.

2.3 Authenticiteit

In deze scriptie onderzoek ik, zoals geformuleerd in mijn onderzoeksvraag, hoe de romans van Dautzenberg ‘een idee van authenticiteit produceren’ en hoe dit effect versterkt wordt door de manier waarop de schrijver zichzelf presenteert in de media. ‘Authenticiteit’ is een begrip dat zich lastig laat definiëren. Missinne stelt in haar boek Oprecht gelogen dat het begrip ‘authenticiteit’ een lange geschiedenis en vele verschillende betekenissen kent. Ze schrijft: ‘Het wordt in diverse contexten gebruikt, met verschillende betekenissen en wisselende accenten, als dusdanig is het een mijnenveld.’^43 Zo kan volgens Missinne authenticiteit gebruikt worden in een juridische context, waarin het de betekenis ‘wettelijk betrouwbaar’ draagt. In het verlengde van deze betekenis, kunnen ook kunstwerken met een ‘betrouwbare herkomst’ als authentiek bestempeld worden.^44 De authenticiteit waarnaar ik op zoek ga in het werk van Dautzenberg, sluit naar mijn idee het best aan op de betekenis die Missinne toekent aan authenticiteit op het gebied van het menselijk gedrag.

Authenticiteit betekent hier oprechtheid of eerlijkheid, kwalificerende categorieën van uitspraken en gedragen van een spreker, waarin de ontvanger al dan niet kan geloven.^45

Authentiek betekent in deze context dus dat de lezer ervan overtuigd is dat een bepaald werk eerlijk en oprecht is. Dit effect wordt bereikt doordat er een bepaalde authenticiteitsclaim in het werk zit, doordat de schrijver poogt om oprecht en betrouwbaar over te komen. Volgens Missinne laat de lezer zich het snelst overtuigen als er sprake is van ‘extreme situaties’: ‘Helden en slachtoffers lijken te beschikken over een bijzondere authenticiteitsclaim, omdat ze individuele uitzonderlijke ervaringen, handelingen of leed hebben beleefd waar de anderen van

(^42) “Anton Dautzenberg: ‘Ik schrijf ook buiten de kaft van een boek’.” The Post Online Magazine , 21 maart

  1. Web. < http://www.elinea.nl/artikel/anton-dautzenberg-ik-schrijf-ook-buiten-de-kaft-van-een- boek>. (^43) Missinne 2013, 37. (^44) Idem. (^45) Idem, 38.

dit interview: ‘[...] the idea of truth no longer solely concerns the authenticity of Frey’s work but also the author himself […].’^52

Als de lezer een verhaal ‘authentiek’ noemt, spreekt hij of zij volgens Missinne daarmee ‘een oordeel uit over subjectieve aspecten van de weergegeven beleving en over de al dan niet geslaagde perceptie hiervan.’^53 Er is dan sprake van ‘epistemologische potentialiteit’. Deze potentialiteit is iets anders dan de bewering dat een verhaal ‘echt’ of ‘waar’ is, aangezien je zo’n bewering alleen kunt controleren als je alle feiten kent. Het gaat bij authenticiteit niet om de verifieerbaarheid van de tekst, maar om de overtuigingskracht.^54 Zoals eerder gesteld, legt ook De Taeye de nadruk op de overtuigingskracht die een schrijver moet hebben, om de lectuur van de lezer dusdanig te sturen dat hij of zij de tekst als oprecht, of authentiek beschouwt:

De fictie ligt bij de genoemde auteurs niet in de eerste plaats bij de zaken uit de werkelijkheid die weergegeven worden, maar wel bij de documentaire methodes waarmee ze aan de lezer worden aangeboden. […] technieken blijken retorisch te functioneren en worden ook met dat doel in de teksten ingezet.^55

Volgens Missinne is het ‘een bijzonder complexe en meerduidige uitspraak’ om een tekst ‘authentiek’ te noemen. ‘Er kan ook mee bedoeld worden dat de tekst getuigt van expressieve authenticiteit én daarmee wordt een waardering over de artistieke waarde van de tekst uitgedrukt.’ Missinne beschouwt authenticiteit als een ‘effect van de autobiografische tekst op de lezer, dat door de vorm en stijl wordt bereikt.’^56 Ook Edwin Praat argumenteert dat er een waardeoordeel zit in het toekennen van authenticiteit. In zijn onderzoek constateert Praat dat de woorden ‘authenticiteit’ en ‘oprechtheid’ veelal gebruikt worden als kwaliteitscriteria wanneer er over het werk van Reve wordt geschreven of gesproken: ‘het oordeel over Reves werk lijkt naast de mate waarin men het origineel acht, voor een groot deel afhankelijk te zijn van de mate waarin het authentiek en oprecht wordt gevonden.’^57 De literaire werken die ‘sterk aan zijn persoonlijkheid zijn gerelateerd’^58 , worden het meest gewaardeerd. De boeken of briefromans waarin Reve een oprecht verhaal lijkt te vertellen, worden positief beoordeeld.

(^52) Iatsenko, A. “That is Real. Oprah Winfrey and the James Frey Controversy” Paradoxes of Authenticity. Ed. Straub, J. Piscataway. Bielefeld: Transcript Verlag, 2012: 231. (^53) Missinne 2013, 38. (^54) Idem, 39. (^55) De Taeye 2015, 18. (^56) Missinne 2013, 39. (^57) Praat 2014, 175. (^58) Idem, 176.

Het oordeel over het werk en de persoon van de schrijver ondergaat grote veranderingen. In de jaren zeventig wordt het werk van Reve niet langer als ‘authentiek’ gekenmerkt door de critici. In plaats daarvan veroordelen zij Reves systematische gebruik van ironie en is volgens Praat de algemene tendens dat Reve ‘te vaak vlucht in zijn bekende procedés en potsierlijke schijnvertoningen.’^59 Door de wijze waarop Reve zich binnen en buiten zijn werk representeert, creëert hij geen eenduidig beeld van zichzelf aangezien hij niet alleen in zijn werk, maar ook in zijn mediaoptreden speelt met de grens tussen fictie en werkelijkheid. De lezer (of het kijkerspubliek) weet niet langer wat er voor waarheid kan worden aangenomen. Hierdoor worden in de jaren zeventig de persoon Reve en zijn werk volgens Praat steeds minder vaak gekarakteriseerd als authentiek. De schrijver wordt door zijn optreden ‘onoprecht’ gevonden en krijgt daardoor minder waardering voor zijn werk. Het is niet zo dat Reve er een geheim van maakt dat hij speelt met de grens tussen fictie en werkelijkheid. Zo geeft hij openlijk toe dat zijn publieke optreden een pose is. Volgens Praat is er op dit punt sprake van een paradox: ‘Wanneer iemand volmondig toegeeft onoprecht te zijn, kan dat immers als volmaakt eerlijk worden gezien.’^60 Praat schrijft dat het doel van deze pose volgens Reve zelf tweeledig is. Enerzijds trekt hij op deze manier de aandacht van het publiek. Tegelijkertijd stelt het hem ook in de gelegenheid en ruimte om bepaalde onderwerpen aan te kaarten die hij anders niet aan zou kaarten.^61

2.4 Methode

In dit onderzoek naar het werk van schrijver A.H.J. Dautzenberg hanteer ik een retorische benadering. Ik analyseer welke retorische strategieën in het werk van A.H.J. Dautzenberg ervoor zorgen dat de lezer de tekst en de boodschap van de schrijver als ‘authentiek’ en ‘oprecht’ kan beschouwen. Liesbeth de Taeye schrijft over haar retorische aanpak in het artikel “Terug tot de werkelijkheid?”: ‘Een retorische benadering van een narratieve tekst maakt het mogelijk te focussen op de technieken die aangewend worden om een bepaald doel te bereiken.’^62 Zij geeft aan in navolging van James Phelan te werken: ‘Daarbij gaat het niet om het aantonen van één-op- één relaties tussen die tekstuele technieken, de personen die ze inzetten en de effecten die ze hebben, maar wel om het onderzoeken van hoe dit alles betekenis krijgt door de context en de manier van presenteren.’^63

(^59) Praat 2014, 179. (^60) Idem, 193. (^61) Idem, 195. (^62) De Taeye 2015, 4. (^63) Idem.

een zelfreferentieel karakter hebben.^69 Missinne maakt een onderscheid tussen ‘metanarratieve’ en ‘metafictionele’ uitspraken.^70 Ze benadrukt het belang van dit onderscheid. Het inzetten van metacommentaren kan mede bepalen of een tekst als authentiek en oprecht beschouwd wordt. Metanarratief commentaar en metafictioneel commentaar hebben hierin elk hun eigen effect.^71 In een metanarratief commentaar wordt het vertellen zelf becommentarieerd. Missinne geeft als voorbeeld een situatie waarin de verteller vooruitwijst naar het volgende hoofdstuk. (‘Zoals we zullen zien in het volgende hoofdstuk […].’^72 ) Een metanarratief commentaar hoeft de geloofwaardigheid van de tekst niet aan te tasten, maar kan deze ook juist versterken. Dit laatste gebeurt volgens Missinne bijvoorbeeld wanneer het metacommentaar zo geschreven is dat de lezer het gevoel heeft dat hij of zij persoonlijk wordt aangesproken. In een metafictioneel commentaar wordt de lezer nadrukkelijk gewezen op ‘de fictionele status van een tekst’^73. Volgens Missinne wordt ‘[daardoor] de illusie van een quasi-reële wereld doorbroken en is het commentaar een anti -fictionaliseringsstrategie.’^74 Er zijn verschillende vormen van metafictioneel commentaar. Zo kunnen er directe uitspraken worden gedaan waarin letterlijk wordt gezegd dat iets fictioneel is. De schrijver kan ook op een meer indirecte wijze metacommentaar leveren. Zo kan hij of zij het eigen schrijfproces thematiseren. ‘Door het mechaniek van hun autobiografische schrijven open te leggen en er afstand van te nemen, trachten deze auteurs bij de lezer empathie te wekken met een authentiek aandoende constructie.’^75 Metacommentaren kunnen in verschillende vormen in een narratief werk aan te wijzen zijn. Missinne stelt dat metacommentaren ‘genrevervaging’ als gevolg kunnen hebben. Door het inzetten van metafictie, kan het zijn dat het voor de lezer niet duidelijk is tot welk genre de tekst behoort. Dit effect kan versterkt worden, wanneer de schrijver het metacommentaar in één van de parateksten heeft geplaatst.^76

Blik buiten het boek In het onderzoek van Missinne ligt de focus op de literaire werken van de schrijver, ze behandelt in haar analyse verschillende romans. Haar boek, Oprecht gelogen, gebruik ik als basis van mijn

(^69) Neumann, B, Nünning, A. The living handbook of narratology. Interdisciplinary Centre of Narratology, University of Hamburg, 3 december 2014. Web. . (^70) Missinne 2013, 207. (^71) Missinne 2013, 207. (^72) Idem. (^73) Idem. (^74) Idem. (^75) Missinne 2013, 208. (^76) Idem, 209.

analyse, maar ik ga een stap verder door haar methode open te breken. In mijn onderzoek analyseer ik niet alleen het literaire werk van Dautzenberg, maar richt ik mij ook zijn zelfrepresentatie in de media en de receptie van zijn werk. Deze blik buiten het boek wil ik verantwoorden aan de hand van Edwin Praats boek Verrek, het is geen kunstenaar. In zijn onderzoek betrekt Praat twee werelden op elkaar. Zowel het oeuvre van Gerard Reve, als Reves zelfrepresentatie staan centraal, waarbij Praat focust op ‘de ironie, de verbinding tussen werk en leven en vooral de ostentatieve self-fashioning’.^77 Het lastige aan een onderzoek naar het werk van schrijvers als Gerard Reve of A.H.J. Dautzenberg is, dat deze schrijver niet alleen binnen hun werk met de grens tussen fictie en werkelijkheid speelt, maar ook daarbuiten. Praat acht het voor zijn onderzoek daarom relevant om niet alleen het literaire werk van Reve te onderzoeken, maar ook ‘diens mystificaties, geruchtmakende tv-optredens en confrontaties met collega’s, pers en publiek.’^78 Praat schrijft:

Het heeft zin om Reves oeuvre onder het vergrootglas te leggen, maar alleen als we de premisse laten varen dat een boek een gesloten universum moet zijn waarin de stem van de auteur niet doorklinkt. Het heeft zin om op zoek te gaan naar de rol van de auteur in zijn werk, maar alleen als we niet verlangen dat die auteur ‘oprecht’ is.^79

Een structuralistische tekstanalyse, gebaseerd op het New Criticism, zou volgens Praat niet geschikt zijn voor een onderzoek naar het oeuvre van Reve, aangezien de New Critics een literaire tekst als een autonoom object beschouwden.^80 De New Critics Wimsatt en Beardsley keerden zich met hun betoog “The Intentional Fallacy” (1946) tegen het intentionalisme. Praat schrijft: ‘Het was volgens deze wetenschappers een misvatting om te denken dat de betekenis van een werk afhankelijk is van de bedoeling van de auteur.’^81 Dit was wel het uitgangspunt van het intentionalisme. Binnen deze school werkten de schrijvers aan de hand van criteria als: ‘sincerity, fidelity, spontaneity, authenticity, genuineness [and] originality.’^82 Het intentionalisme richt zich bij de analyse en interpretatie sterk op de auteur en de auteursintentie. Het New Criticism acht die focus op de auteur irrelevant en richt zich voor de interpretatie enkel op de tekst zelf. ‘Close reading’ is de methode die door de New Critics gehanteerd wordt. Dit is een methode van literaire analyse waarbij de tekst zeer nauwkeurig wordt gelezen. Bij het

(^77) Praat 2014, 59. (^78) Idem, achterflap. (^79) Praat 2014, 67. (^80) Praat 2014, 60. (^81) Idem. (^82) Idem, 174.